klimaatprotest

Welvaart vs. onze planeet: Groene groei kan wél

Door onze onstilbare honger naar groei vreesden we vijftig jaar geleden terecht dat we onze planeet zouden kaalplukken en vergiftigen. Maar nu niet meer. De voorbije halve eeuw toonde aan dat de menselijke bevolking en welvaart kunnen toenemen terwijl we toch beter zorg dragen voor de planeet.

Er wachten ons nog steeds enorme uitdagingen, nu en in de komende jaren, waarvan de opwarming van de aarde de grootste is. Het goede nieuws is dat we het draaiboek kennen om er adequaat mee om te gaan. Het slechte nieuws is dat we het draaiboek niet goed volgen. Het moet beter. We moeten de problemen slimmer aanpakken.

50 jaar na de eerste Earth Day

In 1970 kwamen mensen verontwaardigd op straat op de eerste Earth Day omdat we onze wereld slecht behandelden. Niet moeilijk om in te zien waarom we zo bezorgd waren. De 20ste eeuw en vooral de decennia na de oorlog kenden de snelste groei in de menselijke geschiedenis. Overal ter wereld namen bevolkingen, economieën en levenskwaliteit sneller dan ooit toe. Jammer genoeg bracht deze groei drie vreselijke neveneffecten met zich mee.

Ten eerste verbruiken we de natuurlijke grondstoffen van de aarde steeds sneller. In de Verenigde Staten, bijvoorbeeld, groeide de consumptie van aluminium, kunstmest en andere belangrijke materialen zelfs nog sneller dan de hele economie in de jaren voor Earth Day. Een angstaanjagende trend en, als het zo voortging, een ramp in wording.

Aan het Massachusetts Institute of Technology (MIT) bouwde het team van biofysicus Donella Meadows een computersimulatie van de globale economie om te voorspellen hoe de toekomst er zou uitzien. Hun conclusies, gepubliceerd in de bestseller uit 1972, Limits to Growth, waren grimmig: ‘Dus kunnen we met vertrouwen stellen dat, aannemend dat er geen grote veranderingen plaatsgrijpen in het huidige systeem, de industriële groei en de bevolkingstoename zeker zullen stoppen in de 21ste eeuw, ten laatste. Het systeem stort in door de grondstoffencrisis.’

Het tweede slechte neveneffect van groei was vervuiling. Lucht, water en land werden alsmaar vuiler. Het zwavelgehalte in de atmosfeer in de Verenigde Staten steeg met meer dan 60 procent in de drie decennia na 1940. In 1970 berichtte Life Magazine dat ‘wetenschappers onweerlegbaar bewijs hebben voor deze voorspellingen: in 1980 zullen stadsbewoners gasmaskers dragen om de luchtvervuiling te overleven. Tegen 1985 zal de luchtvervuiling de hoeveelheid zonlicht die de aarde bereikt met de helft verminderen’.

Noord-Amerikaanse bizon
De Noord-Amerikaanse bizon.

Het derde negatieve gevolg van constante groei is het uitsterven van dieren. De trekduif, bijvoorbeeld, was tegen 1914 helemaal verdwenen. Veel dieren, van de Noord-Amerikaanse bizon tot de zeeotter en de blauwe vinvis waren bijna uitgestorven tijdens het industriële tijdperk. De Amerikaanse senator Gaylord Nelson schreef in 1970: ‘Dr. S. Dillon Ripley, secretaris aan het Smithsonian Institution, gelooft dat tussen 75 en 80 procent van alle diersoorten uitgestorven zullen zijn over 25 jaar.’

Er zijn grenzen aan de groei …

De enige oplossing leek een groeistop: een geleidelijke en opzettelijke halt aan de groei – in plaats van uitbreiding – van onze bevolkingen en economieën. Inkrimpen zou niet gemakkelijk zijn en niet bij iedereen even populair, maar het leek een noodzaak. Filosoof André Gorz vertolkte dat gevoel toen hij in 1975 zei: ‘Het gaat niet over je in te houden om meer en meer te consumeren, maar om minder en minder te consumeren – er is geen alternatief.’

Helaas: mensen en maatschappijen hebben de groeistop niet omarmd sinds Earth Day. De globale economie en de bevolkingstoename vertraagden een beetje na 1970, maar dat komt voornamelijk omdat de 25 jaar na de Tweede Wereldoorlog een tijd waren van buitengewoon snelle groei en heropbouw. Behalve die korte periode ging de groei van de economieën en bevolkingen overal ter wereld nooit zo snel als in de jaren na 1970. Stoppen met groeien kwam nergens voor.

Maar wat gebeurde er met de drie neveneffecten van de groei: de uitputting van de grondstoffen, de vervuiling en het verlies van biodiversiteit? Die zouden wel allemaal evenredig met de groei toegenomen zijn, zeker?

… of toch niet?

Nee, integendeel. Sinds Earth Day gebeurde er iets wonderlijks: wij, ingenieuze mensen, leerden hoe we minder sporen konden nalaten op onze planeet. En toch bleven we in aantallen toenemen en leefden we voorspoediger. Dit prettige fenomeen staat het verst in de rijkste landen, maar het breidt zich uit over de wereld. Bijna niemand kon voorspellen dat het zou gebeuren. Zelfs vandaag zijn heel weinig mensen bewust dat de felle strijd tussen menselijke welvaart en de staat van de natuur zowat tot stilstand gekomen is. Maar zo is het wel. Om dat te illustreren, bekijken we de drie grote problemen.

Eerst is er de uitputting van grondstoffen. Als iets zeldzamer wordt, wordt het duurder. Maar zonder uitzondering zijn belangrijke grondstoffen als olie, mineralen en eten juist goedkoper geworden, niet in het minst voor de gemiddelde werknemer (met andere woorden: niet alleen voor burgers van rijke landen). Onderzoekers Marian Tupy en Gale Pooley berekenden de koopkracht van de gemiddelde arbeider voor vijftig grondstoffen door de tijd – van ruwe olie tot koffie of katoen. Conclusie: hetzelfde boodschappenmandje dat met één uur werk gekocht kon worden in 1980, kon met iets meer dan 20 minuten werk gekocht worden in 2018. Geen enkele van de grondstoffen werd duurder per werkuur voor de gemiddelde werker in deze periode.

Hoe is dit mogelijk? Een van de belangrijkste redenen is dat veel grondstoffen, de meeste eigenlijk, lang niet zo zeldzaam zijn als we dachten. Daar is Limits to Growth een fascinerend voorbeeld van. Het boek bevat een lijst met de voorraden van natuurlijke grondstoffen en voorspellingen over hoelang ze nog beschikbaar zijn bij verschillende scenario’s. Een van de belangrijkste computermodellen toonde aan dat, als de exponentiële groei zou verdergaan, de goudvoorraad van de planeet binnen 29 jaar uitgeput zou zijn. Zilver kreeg nog 42 jaar, koper en petroleum minder dan 50 en aluminium 55 jaar.

Het bleken geen trefzekere voorspellingen: we hebben nog steeds grote voorraden goud en zilver. Meer nog: de voorraden zijn nu veel groter dan in 1972, ondanks een halve eeuw extra consumptie. De goudvoorraden zijn vandaag bijna 400 procent groter dan in 1972 en de zilvervoorraden zijn meer dan 200 procent groter. En het is waarschijnlijk niet te vroeg om te beweren dat koper, aluminium en petroleum niet zo snel uitgeput zullen raken als geschat in Limits to Growth. De voorraden nu zijn veel groter dan in de tijd van de publicatie van het boek.

We consuminderen allemaal

Bovendien gebruiken we elk jaar minder natuurlijke grondstoffen in de rijke landen. Niet alleen minder per persoon, maar ook minder in totaal. In de Verenigde Staten, die verantwoordelijk zijn voor 25 procent van het globale bbp, daalt de jaarlijkse consumptie van koper, papier, water voor landbouw, hout, stikstof (een belangrijke component van kunstmest) en akkerland nu. Daarbovenop is het totale Amerikaanse energiegebruik bijna gelijk gebleven sinds 2007, hoewel de economie met bijna 20 procent groeide.

winkelstraat solden

Ontwikkelingslanden, ook snelgroeiende economieën zoals India en China, zijn nog niet aan het dematerialiseren. Maar ik voorspel dat hun consumptie binnenkort zal dalen, precies zoals bij hoge-inkomenslanden.

Twee sterke krachten spannen samen, met de dematerialisatie van de economie als gevolg. De eerste is technologische vooruitgang, vooral de digitale vooruitgang (bedenk hoeveel beter en lichter de lcd-computerschermen vandaag zijn in vergelijking met de kathodestraalbuis (CRT) van vroeger. De tweede kracht is kapitalisme, of de intense concurrentie tussen bedrijven met winstoogmerk (denk bijvoorbeeld aan de druk waaraan CRT-makers blootgesteld waren toen lcd’s de markt overnamen). Deze concurrentie stimuleert bedrijven enorm om geld te besparen op grondstoffen. Technologische vooruitgang biedt talloze mogelijkheden om net daarin te slagen. Verbrandingsmotoren zijn vandaag lichter, krachtiger en zuiniger; smartphones vervangen rekken vol toestellen … de economie dematerialiseert op ontelbare manieren.

Het klopt dat onze planeet niet onuitputbaar is. Maar als je stilstaat bij de consumptie en beschikbaarheid van grondstoffen is dat eigenlijk irrelevant. Onze ervaring sinds Earth Day heeft aangetoond dat onze planeet probleemloos groot genoeg is om ons te voorzien van alle materialen die we nodig hebben, hoelang we ze ook nodig hebben. Het echte gevaar is niet dat de groei onze planeet zal uitputten, maar dat de groei onze planeet vervuilt. Laten we dat eens onder de loep nemen.

Zoals elke economiestudent weet, is vervuiling een klassiek negatief extern effect; het nadelige effect van een transactie op mensen die er geen deel van uitmaken. Als een fabriek een nabijgelegen rivier vervuilt met afval, dan hebben mensen die stroomafwaarts wonen daaronder te lijden, of ze nu producten van de fabriek kopen of niet. Concurrentiële markten doen veel dingen goed, maar aan externe effecten doen ze niks. Ze creëren ze zelfs vaak. Daarom moeten regeringen tussenbeide komen om vervuiling te verbieden door een maximumgrens vast te stellen en overschrijding te beboeten, zoals met de chloorfluorkoolstofverbindingen, verantwoordelijk voor het gat in de ozonlaag.

De logica achter die aanpak is simpel: als vervuiling duur is, zullen bedrijven eraan werken om die kost te verminderen. De uitstootbeperkingen die gelden in de Verenigde Staten en andere rijke landen, kaderen in een poging om atmosferische vervuiling tegen te gaan door er een hoge prijs op te plakken.

Om van de vervuiling af te raken, hoeven we niet te stoppen met groeien. We moeten antivervuilingsmaatregelen nemen.

De verboden, de limieten, de boetes en andere vormen van uitstootbeperking in hoge-inkomenslanden sinds Earth Day waren buitengewoon succesvol. Het vervuilingsniveau zakte in de rijke wereld, ondanks de groei van economieën en bevolkingen. De economie van de Verenigde Staten is tweeënhalf keer zo groot als in 1970. Toch is het zwaveldioxide-gehalte gedaald met meer dan 90 procent, en andere vormen van lucht-, water of landvervuiling zijn ook drastisch verminderd.

Een halve eeuw geleden leefde het idee dat vervuiling een vervelend, maar onvermijdelijk gevolg was van economische vooruitgang. Zoals een Amerikaanse burgemeester in 1970 over de Clean Air Act (een wet in verband met schone lucht) zei: ‘Als je wilt dat deze stad groeit, moet ze stinken.’

Nu weten we dat dat helemaal niet klopt. Om van de vervuiling af te raken, hoeven we niet te stoppen met groeien. We moeten alleen antivervuilingsmaatregelen nemen.

In de voorbije decennia hebben rijke landen dat gedaan. Maar wat met lage-inkomenslanden? Hier is het nieuws minder goed. Onderzoekers Hannah Ritchie en Max Roser: ‘We zien dat het sterftecijfer (ten gevolge van luchtvervuiling, red.) hoger ligt in Sub-Sahara-Afrika en Zuid-Azië.’

Dat is geen verrassende ontdekking. Er is een hypothese van economist Simon Kuznets: dat lage-inkomenslanden vervuilen terwijl de economie groeit, maar ook maar tot op een bepaald punt. Mensen die aan de armoede ontsnapt zijn en kunnen voldoen aan hun basisbehoeften, zullen een schonere omgeving beginnen te eisen. De regering zal ingaan op die vraag en de algemene vervuiling zal dalen, zelfs terwijl de groei van de economie zich voortzet.

Dit patroon van stijgende en dalende vervuiling is bekend als de milieucurve van Kuznets. Onlangs was dit fenomeen zichtbaar bij de luchtvervuiling in China.

De regering legde uitstootbeperkingen op aan steenkoolfabrieken, klasseerde alle plannen om er nieuwe te bouwen in hevig vervuilde regio’s verticaal en verwijderde zelfs kolenovens uit verschillende kleine huishoudens en kleine bedrijven (in sommige gevallen zonder compensatie).

De inspanningen gooiden hun vruchten af. Econoom Michael Greenstone ontdekte over het gehele land reducties in fijnstof van meer dan 30 procent tegen 2018. Hij schatte dat deze reducties, indien volgehouden, het leven van de gemiddelde Chinese burger met 2,4 jaar zouden verlengen. Greenstone: ‘Het kostte de Verenigde Staten twaalf jaar (na de invoering van de Clean Air Act in 1970, red.) en de recessie van 1981-1982 om de 32 procent vermindering mogelijk te maken die China in slechts vier jaar bereikte.’

Wat hebben we geleerd?

De milieucurve vertelt ons iets wezenlijks: economische groei is eerst de oorzaak van vervuiling, maar daarna de oplossing. Om vervuiling tegen te gaan, moeten we dus niet proberen te stoppen met groeien, we zouden groei overal ter wereld juist moeten aanmoedigen. Het voorbeeld van China geeft vertrouwen dat deze aanpak werkt en dat groeiende landen in de komende jaren minder zullen vervuilen. Het is in ons aller belang dat dat gebeurt, want sommige vormen van vervuiling zijn globaal, niet lokaal. De grote hoeveelheid plastic afval in de wereldzeeën, die niet van schepen afkomstig is, komt vooral van rivieren die door lage-inkomenslanden stromen in Azië en Afrika.

Plastic afval in Bangladesh
Plastic afval in Bangladesh.

De beste manier om die afvalstroom te stoppen, is door die mensen welvarend genoeg te maken, zodat ze het zich kunnen veroorloven om in te zitten met het milieu. We moeten er ook voor zorgen dat er in rijke landen geen terugval is van de milieusuccessen. De plannen van de regering-Trump om de bescherming van draslanden, het toegestane methaanniveau en andere maatregelen terug te draaien, gaan de verkeerde kant op en moeten ongedaan gemaakt worden.

Natuurlijk zijn de broeikasgassen zoals CO2, die de klimaatopwarming veroorzaken, op lange termijn het schadelijkst. Broeikasgassen verminderen is een belangrijke uitdaging, die politieke wil en technologische innovatie vereist. Maar er is geen nood aan andere radicale koerswijzigingen. In de plaats daarvan is dezelfde aanpak die ook werkte bij de vermindering van andere soorten atmosferische vervuiling – namelijk, er een stevige prijs op plakken – ook effectief voor het verminderen van de uitstoot van broeikasgassen.

Koolstofdividenden zijn een slimme manier om broeikasgassen duur te maken en om mensen in staat te stellen de eruit voortvloeiende prijsverhogingen te betalen. Het is een soort belasting op koolstof, maar met een belangrijke kronkel: in plaats van de opbrengst ervan te houden, verdeelt de regering het geld als dividend aan elk huishouden. William Nordhaus, een van de Nobelprijswinnaars voor de Economie in 2018, dankte zijn overwinning grotendeels aan het koolstofdividend.

Het idee van de groeistop – dat er geen andere manier is om de aarde te bewaren voor toekomstige generaties – is simpelweg verkeerd.

Het uitsterven van diersoorten is een van de droevigste gevolgen van klimaatopwarming. De uitstoot van broeikasgassen kan habitats onbewoonbaar maken, waardoor de sombere lijst van uitgestorven diersoorten door menselijk toedoen nog langer wordt. Maar het dreigende uitsterven betekent niet dat we moeten stoppen met groeien. Nee, het omgekeerde is net dringend nodig: een wereld met landen en mensen die welvarend genoeg zijn om goede bewaarders van de planeet en het leven erop te worden. In de voorbije vijftig jaar viel er opmerkelijke vooruitgang te noteren op dat gebied. In 1982 ondertekenden de meeste landen bijvoorbeeld een moratorium op het doden van walvissen en nu zijn de dieren weer aan een opmars bezig.

Naast het beschermen van diersoorten beschermen we ook domein. In 1970 was minder dan 2,4 procent van het land op aarde een beschermd reservaat, of op een andere manier beschermd, en slechts 0,04 procent van het water in de wereld. In 2018 waren die percentages respectievelijk toegenomen tot 13,4 en 7,3 procent. In China, lange tijd ’s werelds grootste markt voor producten van bedreigde diersoorten, zagen we een ander belangrijk voorbeeld van de milieucurve van Kuznets. Naarmate het land welvarender werd, werd het steeds meer verboden om neushoorn- en tijgerproducten te kopen, verkopen of bezitten. En sinds 2017 is ook de handel in ivoor verboden.

Stoppen met groeien is geen optie

Helpen dergelijke inspanningen om de uitstervingsgolf te bestrijden? Jazeker. Het aantal extincties lijkt vertraagd in de voorbije decennia. Zo werd in de voorbije vijftig jaar geen enkel zeewezen uitgestorven verklaard. Het is nog veel te vroeg om de overwinning uit te roepen, maar niet te vroeg om te zeggen dat we nu weten wat werkt en wat niet. Minder vervuiling, meer bescherming en welvaart zijn de basiselementen van een succesvolle strategie om het leven op aarde te beschermen.

We zouden onvoorstelbaar dankbaar moeten zijn voor de moderne milieubewegingen die overal ter wereld ontsproten zijn uit Earth Day.

Stoppen met groeien is dat niet. Uit de voorbije halve eeuw blijkt dat een onredelijk idee (door de aard van het beestje) en een onnodig idee. Dat is niet hetzelfde als zeggen dat milieuactivisme niet nodig is. We zouden onvoorstelbaar dankbaar moeten zijn voor de moderne milieubewegingen die overal ter wereld ontsproten zijn uit Earth Day. Op die dag trokken bezorgde mensen de straat op, zetten ze bedrijven, beleidsmakers en verkozenen onder druk en pleitten ze op andere manieren voor een betere zorg voor onze planeet. Het had effect.

Maar dankbaarheid voor milieuactivisme betekent niet dat we alle oorspronkelijke ideeën moeten blijven ondersteunen. We weten dat het idee van de groeistop – dat er geen andere manier is om de aarde te bewaren voor toekomstige generaties – simpelweg verkeerd is. Met enkele slimme zetten, zoals vervuiling beperken en kwetsbare soorten beschermen, kunnen we zowel genieten van een hogere menselijke welvaart als van een gezonde, eindeloos overvloedige planeet. Laten we er dus snel werk van maken om er een op te bouwen.

Andrew McAfee is een wetenschapper aan het Massachusetts Institute of Technology (MIT) in de Verenigde Staten en auteur van het boek Meer uit Minder (Spectrum, € 22,99)