Waarom moet quarantaine 14 dagen duren?

Als je een van de vele mensen bent die tijdens deze coronacrisis is gevraagd om twee weken in quarantaine te gaan, vraag je je misschien af: waarom precies 14 dagen? Het is geen lukraak gekozen getal zo blijkt, er zit daar wel degelijk een wetenschappelijke uitleg achter.

Hoewel in verschillende landen nog steeds mensen om verschillende redenen in verplichte quarantaine moeten door Covid-19, is het opvallend dat de duur van die quarantaine in heel de wereld hetzelfde is: 14 dagen.

Veertien dagen is niet lukraak gekozen – het is gebaseerd op wat we tot nu toe weten over Covid-19, en het is mogelijk dat we in de loop van de tijd dat aantal zullen zien veranderen naarmate we meer leren over het virus.

Dus waarom nu 14 dagen? Het antwoord heeft te maken met hoe virussen cellen binnendringen en repliceren.

Incubatie

Zodra een virus iemand besmet – een nieuwe gastheer vindt – duurt het even voordat het virus genoeg kopieën van zichzelf heeft gemaakt, zodat de gastheer het virus begint af te werpen, bijvoorbeeld door hoesten of niezen. Dat is de incubatietijd.

De incubatietijd varieert van virus tot virus en soms van gastheer tot gastheer. Voor het virus dat Covid-19 veroorzaakt – SARS-CoV-2 – hebben onderzoekers ontdekt dat de typische incubatietijd ongeveer vijf dagen is. Maar dat is dus een gemiddelde. Bij sommige mensen duurt het langer. Ongeveer 97 procent van de mensen die geïnfecteerd raken en symptomen ontwikkelen, zal dit binnen 11 tot 12 dagen doen en ongeveer 99 procent binnen 14 dagen.

14-daagse quarantaine wordt daarom beschouwd als de buitenste ‘veiligheidsmarge’ om er zeker van te zijn dat je geen infectie hebt ontwikkeld die je naar anderen zou kunnen verspreiden. Met twee vergelijkbare virussen, SARS en MERS, zijn de incubatietijden iets korter: de meeste mensen ontwikkelen daar binnen 10 dagen. Deze virussen hadden ook een groter aantal mensen met ernstigere symptomen, wat het gemakkelijker maakte om het einde van het ‘veiligheidsvenster’ te definiëren.

Wat het bij Covid-19 moeilijker maakt

Wat bij het nieuwe coronavirus quarantaineaanbevelingen moeilijker maakt dan normaal: een groot aantal mensen die besmet worden blijft asymptomatisch. Dat betekent dat ze geen symptomen krijgen. En over hoe lang die mensen besmettelijk zijn is – doordat ze amper getest worden – niet veel te zeggen. In IJsland, waar ze niet alleen mensen met symptomen testen maar ook zonder, blijkt dat maar liefst 50 procent van de mensen die het virus hadden nauwelijks of zelfs helemaal niet ziek waren.

Die asymptomatische prevalentie bij Covid-19 impliceert ook dat de quarantainemaatregel alleen werkt als iedereen in quarantaine echt getest wordt aan het eind van de 14 dagen. Of: stel één gezinslid raakt besmet, waarna het hele gezin in quarantaine gaat. De kans dat in de 14 dagen die volgen de andere gezinsleden besmet raken is reëel, hoewel het al bij al meevalt: zo’n 10 procent blijkt uit studies in China, tenminste als een aantal voorzorgsmaatregelen worden waargenomen. Maar de kans bestaat dus dat als dat gezin uit quarantaine gaat en niet iedereen op dat moment opnieuw getest wordt, er een nieuwe gastheer het virus zal verspreiden.

Een ander probleem dat al is vastgesteld bij heel wat mensen die na 14 dagen uit quarantaine komen is dat het idee leeft dat ze geen risico op besmetting meer lopen. Maar zelfs als je tijdens de quarantaineperiode van twee weken geen coronavirus-symptomen ontwikkelt, blijft het net zo belangrijk om daarna je aan maatregelen en aanbevelingen te houden, zoals je handen regelmatig te blijven wassen en social distancing te blijven waarnemen.