Waarom het coronavirus zo tuk is op grote events waar gedanst wordt op luide muziek

Het doet wellicht pijn in het hart bij velen om dit te horen in ons festivalminnend land, maar de beslissing om de Graspops, Werchters, Tomorrowlands niet te laten doorgaan is wellicht één van de beste die genomen werden. Een half jaar na de komst van het coronavirus beginnen we immers een steeds beter zicht te krijgen over hoe SARS-CoV-2 zich verspreidt. En muziekfestivals, maar ook fuiven en eigenlijk alle events met veel volk, luide muziek en waar gedanst wordt, blijken op verschillende vlakken het gevaar op besmetting aanzienlijk te verhogen. 

We weten dat mensen met het coronavirus gemiddeld ongeveer twee andere mensen infecteren; de meesten geven het virus zelfs door aan slechts één andere persoon of helemaal aan niemand anders. Maar sommige mensen infecteren wél een pak anderen, vaak voordat ze zelfs maar symptomen krijgen. Volgens sommige studies veroorzaken 10 procent van de besmette mensen 80 procent van de nieuwe infecties. Dat laatste gebeurt vooral tijdens ‘superverspreidende’ events, waarbij één persoon in een korte tijdspanne het virus doorgeeft aan tientallen anderen. Dit is waarom experts zich zo’n zorgen maken over grote evenementen.

We weten ondertussen dat zo’n massa-bijeenkomsten – gaande van drukbezochte markten tot religieuze diensten – een grote drijfveer zijn geweest voor de transmissie van COVID-19 over de hele wereld. Enkele van de grootste superverspreidende gebeurtenissen zijn aan boord van schepen gebeurd, cruiseschepen maar ook militaire schepen. Bijeenkomsten in kerken – voor missen en begrafenissen bijvoorbeeld – zijn ook wereldwijd geïdentificeerd als oorzaak van uitbraken.

Waarom superverspreiders zo belangrijk zijn

Wat veroorzaakt deze superverspreidende clusters, en waarom zijn ze zo’n belangrijke motor van deze pandemie? Om dat te begrijpen, moeten we om te beginnen enkele basisprincipes op een rijtje zetten over hoe dit virus, SARS-CoV-2, zich verspreidt. Onderzoekers hebben ontdekt dat het zich vaak verspreidt door microscopisch kleine druppeltjes. Die ontstaan ​​wanneer een geïnfecteerde persoon hoest of niest en de besmetting gebeurt wanneer een andere persoon ze inademt. Deze ziektebevattende druppeltjes zijn een groot deel van de redenering achter het houden van anderhalve meter afstand blijven en in het openbaar een masker dragen.

Maar wetenschappers ontdekten ook dat het virus zich waarschijnlijk ook verspreidt door nog kleinere, langer overlevende aerosoldeeltjes die we de lucht insturen door te ademen of te spreken (of een toilet door te spoelen). Die deeltjes zijn zo klein dat ze in de lucht kunnen blijven hangen nadat een besmettelijke persoon is vertrokken – en ze kunnen tot drie uur lang besmettelijke virusdeeltjes bevatten. Het zijn wellicht deze deeltjes die een sleutelelement zijn bij superverspreidende gebeurtenissen: een geïnfecteerde persoon kan het virus verspreiden door gewoon in de buurt te komen van alle mensen die ze uiteindelijk infecteren. En: hoe meer mensen op een hoopje, hoe groter die kans uiteraard.

Het SARS-CoV-2-virus dat COVID-19 veroorzaakt heeft nog een paar eigenschappen die het ideaal maken voor superverspreiding. Zo blijkt dat mensen meestal het hoogste niveau van het virus in hun systeem hebben (waardoor ze besmettelijk worden) vlak voordat ze symptomen ontwikkelen. Dat is heel anders dan bij andere ernstige coronavirussen zoals SARS en MERS, waar mensen het meest besmettelijk waren zeven tot tien dagen nadat ze zich ziek begonnen te voelen, wanneer ze al geïsoleerd of in de medische behandeling waren. Het gevolg is dat duizenden mensen met actieve COVID-19-infecties doorgaan met hun leven, niet wetende dat ze de ziekte zouden kunnen verspreiden.

De k-factor

Zoals een team van onderzoekers dat gevallen en contacten in Taiwan analyseerde ontdekte, hebben mensen eigenlijk een veel lager risico om het virus te verspreiden na vijf dagen symptomen. Dat kan gedeeltelijk zijn omdat zieke mensen minder geneigd zijn om uit te gaan, of omdat ze bewust hun ziekte niet willen verspreiden. Maar het heeft ook te maken met de ‘viral load’ van een persoon – de hoeveelheid virus die je meedraagt en die in feite afneemt naarmate de symptomen aanhouden. Een studie uit mei van monsters verzameld van patiënten, gepubliceerd in Clinical Infectious Disease, suggereert dat mensen die langer dan acht dagen symptomen hadden, mogelijk niet erg besmettelijk waren.

Dit alles maakt het zo veel waarschijnlijker dat mensen het virus onbewust verspreiden. En ook hier weer: hoe meer mensen in de buurt, hoe meer besmetting. Virologen en epidemiologen zullen je vertellen dat het grootste wapen van het SARS-CoV-2-virus is dat het kan worden verspreid door asymptomatische of presymptomatische mensen.

Ook op muziekfestivals geldt: hoe meer mensen in de buurt, hoe meer besmetting.

In het begin stipten we al aan dat mensen met het coronavirus gemiddeld ongeveer twee andere mensen infecteren; de meesten geven het virus zelfs door aan slechts één andere persoon of helemaal aan niemand anders. Maar sommige mensen infecteren wél een pak anderen, vaak voordat ze zelfs maar symptomen krijgen. Volgens sommige studies veroorzaken 10 procent van de besmette mensen 80 procent van de nieuwe infecties.

Die ongelijkmatige spreiding van dit coronavirus wordt berekend aan de hand van wat de ‘dispersiefactor’ heet (afgekort als de ‘k-factor’). De k-factor vertelt ons welk deel van de gevallen de meeste transmissies veroorzaakt. Een gelijkmatige verspreiding zou betekenen dat de meeste mensen hetzelfde aantal secundaire infecties veroorzaken.

Een beetje biologie en heel veel gedrag

Maar dat is dus niet het geval. Wetenschappers hebben ontdekt dat de kans dat een persoon een superverspreident evenement start, waarschijnlijk een beetje afhangt van biologie en veel van gedrag. Sommige individuen lijken grotere hoeveelheden van het virus in hun systeem te ontwikkelen, waardoor hun kans op overdracht naar anderen groter wordt. En aangezien de hoeveelheid virus in het lichaam de neiging heeft om te verschuiven tijdens de duur van de infectie – stijgend tot het begin van de symptomen en vervolgens afnemend – verandert de kans dat iemand waarschijnlijk een superspreader is in de loop van de tijd.

Uitzoeken of sommige mensen voorbestemd zijn om superspreaders te zijn, zal meer tijd en onderzoek vergen. Maar wat we wel al hebben geleerd, is hoe het gedrag van individuen de kans kan vergroten dat ze het virus naar vele anderen verspreiden – of niet. We weten bijvoorbeeld dat het dragen van maskers, het op afstand houden van mensen, het vermijden van drukte en het isoleren bij ziek worden of positief testen superspreiding kan voorkomen.

Mensen op een markt in Brussel houden afstand om de verspreiding van het coronavirus te voorkomen. Foto: Nicolas Landemard / Zuma Press

Hoewel we weten dat het gedrag van individuen een rol speelt bij superverspreiding, geldt dat ook voor waar die superververspreiding gebeurt. Onderzoekers hebben veel superverspreidende evenementen over de hele wereld geanalyseerd, en er lijken terugkerende locaties te zijn, ongeacht het land. Naast degenen waar we het meest over gehoord hebben, zoals gevangenissen, voedselverwerkende fabrieken en woonzorgcentra, zijn er ook tal van grote superverspreidende evenementen geweest in bars, kerken, kantoren, sportscholen en winkelcentra.

Tweede golf

Dit zijn ook de plaatsen die nu in het hele land heropenen en volgens de meeste virologen en epidemiologen uiteindelijk zullen bijdragen aan de kans dat we te maken zullen krijgen met nieuwe uitbraken en zelfs een tweede golf van het virus. Over hoe snel dat kan gebeuren moeten we niet eens in een glazen bol kijken. Het is al gebeurd. In Zuid-Korea bijvoorbeeld, algemeen geprezen als modelland voor z’n aanpak van het virus. Toen het land uit lockdown ging begin mei zorgde daar één iemand die vijf café’s bezocht tijdens een paar uur stappen meteen voor 50 nieuwe besmettingen. Ook de grootste cluster van besmettingen in Hong Kong – 106 gevallen – viel terug te sporen naar een bar. 

Zuid-Korea wordt geconfronteerd met een tweede golf van besmettingen met het coronavirus. Foto: AP Photo/Ahn Young-joon

Een team van onderzoekers van de London School of Hygiene and Tropical Medicine heeft gegevens over deze superverspreidende gebeurtenissen verzameld in een openbare database. De grootsten – waaronder twee die elk meer dan 1.000 gevallen opleverden – gebeurden aan boord van schepen. Honderden gevallen zijn ook ontstaan ​​door alleenstaande personen in nauw contact met anderen in slaapzalen voor werknemers, voedselverwerkende fabrieken, gevangenissen en instellingen voor ouderenzorg. Maar er zijn ook een pak religieuze diensten die op de lijst staan en trouwfeesten bijvoorbeeld.

Music matters

Uit de cijfers valt wél op te maken dat er een immens verschil is tussen wat in gesloten ruimtes gebeurt en wat in de openlucht plaatsvindt. In gesloten omgevingen heb je bijna 20 keer meer kans op extra coronavirusinfecties dan bij events in de open lucht. Het lijkt er ook op dat niet alle locaties en evenementen binnenshuis én in de openlucht even riskant zijn als het gaat om het starten van een groot aantal nieuwe gevallen. Plaatsen waar gezongen wordt of luid gepraat zijn blijkbaar een stuk gevaarlijker. 

Een recente analyse uit Japan wees uit dat ‘veel COVID-19-clusters geassocieerd waren met zware ademhaling in de directe omgeving, zoals zingen op karaokefeestjes, gejuich in clubs, gesprekken voeren in bars waar muziek opstaat en sporten in gymzalen.’ Data uit Zuid-Korea laat zelfs een gigantisch verschil zien qua besmettingen tussen dingen als aerobic-klassen en zumba-lessen versus pilates en yoga. 

Mensen zingen in een karaokebar in Nagoya, Japan, een plek geassocieerd met COVID-19-clusters. Foto: The Yomiuri Shimbun via AP Images

‘We veronderstellen dat de lagere intensiteit van pilates en yoga niet dezelfde transmissie-effecten veroorzaakte als die intensere fitness danslessen’, merken de auteurs op. ‘De vochtige, warme atmosfeer in een sportfaciliteit in combinatie met turbulente luchtstroom die wordt gegenereerd door intensieve lichaamsbeweging, kan een grotere overdracht van geïsoleerde druppels veroorzaken, waardoor de kans groter wordt dat het virus zich verspreidt.’

Ook naar festivals toe heeft dat implicaties. Ze blijken uitstekend terrein voor superverspreiding, niet alleen omdat er een pak volk op elkaar zit, maar omdat je er luider praat doordat er altijd luide muziek op de achtergrond is en omdat er gedanst wordt. Dat zijn dus al meteen drie factoren die superverspreiding in de hand werken.