Selectieve sentimentaliteit

Voices

Het is iets wat de voorbije jaren al door verschillende filosofen, psychologen en schrijvers is opgemerkt: we leven in een tijd vol sentimentaliteit. Makkelijk te bespelen emoties spelen een grotere rol in het publieke debat dan moeilijk te bevatten, maar redelijke argumenten. De hedendaagse cultuur is ‘soft’ geworden. We beleven een ‘new age of sentimentality’, aldus de Britse schrijfster Lisa Appignanesi. Volgens psychiater Theodore Dalrymple gaat het zelfs om een ‘toxische’ cultuur van sentimentaliteit. 

Toch lijkt dit oordeel over onze tijd en ons collectief bewustzijn me iets te eenzijdig, en zou het genuanceerd moeten worden. Niet sentimentaliteit, maar selectieve sentimentaliteit is wat ons kenmerkt. Dat bleek andermaal in de discussie rond het poesje dat een spuitje zou moeten krijgen: het uit Peru meegenomen katje Lee. Het is buitengewoon opvallend hoe hoog de emoties oplaaien in dit debat. Een schare BV’s lanceerde al een campagne om het poesje te redden; op het internet wordt een petitie gretig gedeeld. Ondertussen haalden we er ook de wereldpers mee: ‘het poesje dat de Belgen verdeelt’, blokletterden verschillende Spaanstalige kranten al.

Misschien is het een beetje een gemene vraag, maar: hoeveel van de mensen die nu moord en brand schreeuwen over Lee, zijn ook bekommerd om de talloze dieren die in asielen zitten te wachten op een nieuw thuis en nieuwe baasjes? Waar was de ontzetting toen een dierenasiel uit Waregem onlangs moest stoppen met de adoptie van honden, omdat steeds meer mensen te kennen gaven dat ze wel een huisdiertje wilden, maar de dieren na de lockdown wel wilden teruggeven? Niet enkel in onze sentimentaliteit, maar ook in onze dierenliefde durven we wel eens weinig consequent te zijn.

Zo is het maar al te vaak: kwesties die uitgroeien tot symbooldossiers roepen buitensporig veel emotie op, terwijl de dingen die werkelijk onze verontwaardiging verdienen onopgemerkt passeren. Terwijl we in het ene dossier – kinderarmoede in ons land, kindervluchtelingen, om maar iets te noemen – weinig moeite lijken te hebben om van ons hart een steen te maken, smelten we weg bij een kat dat een spuitje moet krijgen. Terwijl we onverschillig wegkijken van het ene probleem, staren we ons blind op het andere.

De consensus bij virologen en biologen lijkt nochtans redelijk groot. Vanuit wetenschappelijk oogpunt kan het diertje maar beter een spuitje krijgen. Tegenover het uiterst dodelijke hondsdolheidsvirus moeten we een systematische houding aannemen. ‘Waar is ons gezond verstand?’, vroeg een bioloog zich in de media luidop af.  Ik meen te weten waar het zou kunnen liggen: het is in onze geest bedolven geraakt onder het gruis van gemakkelijk opgeklopte gevoelens.