‘Wat bepaalt de kwaliteit van iemands leven?’

Voices

Het doemscenario komt iedere dag kruipend dichterbij, waarschuwt Thomas Nys universitair docent ethiek aan de Universiteit van Amsterdam. Als we de besmettingscurve niet voldoende kunnen afplatten, dan zal de zorgcapaciteit overschreden worden en dat heeft twee bijzonder ellendige gevolgen. Er zullen mensen zijn die niet de hulp zullen krijgen die ze nodig hebben (en die we anders wel hadden kunnen helpen), en we zullen hartverscheurende keuzes moeten maken.

Natuurlijk kunnen we doen alsof dat niet zo is en mensen blijven behandelen op een ‘first come, first serve’ basis. Maar ook dat zal dan een keuze zijn en eentje die niet zonder gevolgen zal blijven.

Dus we kunnen maar beter een plan hebben en ons verstand gebruiken. Wat straks misschien gebeurt op de IC-afdelingen in het land, moet ons doen bezinnen op ethiek en rechtvaardigheid in de zorg.

Het is een centraal principe dat zorg toekomt aan wie er behoefte aan heeft. In ‘normale’ omstandigheden kunnen daar allerlei mitsen en maren bij geplaatst worden (denk aan de factor eigen verantwoordelijkheid, of een verzekeringsmarkt), maar in acute noodsituaties, wanneer er beslissingen genomen moeten worden over leven en dood, is dat onmogelijk en ongepast. Als mensen dreigen dood te gaan, moeten we ze helpen. Dat is onze plicht. Inkomen, status, huidskleur of religie, mogen dat recht op zorgverlening niet beïnvloeden. Het gaat er niet om wie je bent, maar hoe ziek je bent.

Als ernst, nood en behoefte de primaire bekommernis is, dan is onze zorg bedoeld om die nood te leningen. We willen er iets aan doen. Dat betekent dat de zorg werkzaam moet zijn. Maar dat kan in min of meerdere mate het geval zijn. Behandelingen en therapieën hebben immers niet altijd succes.  Daar komt ook nog eens bij dat sommige veel tijd of geld kosten en andere niet. Dat alles maakt dat we met dezelfde middelen soms meer mensen kunnen helpen en in die zin beter aan onze zorgplicht kunnen voldoen.

Deze ‘berekening’ is dus niet in strijd met een universele, onvoorwaardelijke zorgplicht, maar een uitvloeisel ervan. Stel bijvoorbeeld dat dezelfde behandeling (beademing), bij dezelfde nood (dood of leven), statistisch minder kans op slagen heeft bij oudere patiënten. Omdat we iedereen willen helpen (maar niet kunnen) zullen we dan prioriteit moeten geven aan jongere slachtoffers. Niet omdat we jong boven oud verkiezen, maar omdat de kansen op succes – toevallig – zo uitdraaien. 

We kunnen uiteraard ook verder gaan en op onafhankelijk gronden verdedigen dat jong sowieso prioriteit verdient. In de gezondheidszorg wordt vaak gerekend met QALY’s – quality adjusted life years. Met dezelfde middelen kunnen we bij jonge mensen meer kwaliteitsvolle levensjaren redden, terwijl dat bij 80-plussers minder het geval is. Voorstanders zullen volhouden dat ook dit geen kwestie van ouderdoms-discriminatie is, maar van het efficient inzetten van de middelen, door te  denken in termen van resultaten.

‘Wat bepaalt de kwaliteit van iemands leven en die geredde levensjaren? Heeft iemand die kinderen heeft een hogere levenskwaliteit?’

Waakzaamheid is echter geboden. Het gaat nu om een noodsituatie. Dit soort rekenwerk zou er, buiten die context – wanneer alles voorbij is – ook toe kunnen leiden dat we mensen die we wel kunnen helpen, systematisch minder aandacht gaan geven. Het feit dat we over een paar dagen of weken misschien moeten gaan rekenen, pleit niet noodzakelijk voor meer rekenwerk in de zorg.

Het berekenende perspectief is trouwens niet waardevrij. Het zou makkelijk(er) zijn als de cijfers zouden spreken, en wij gewoon volgen. Maar zo is het niet. Wat bepaalt de kwaliteit van iemands leven (en die geredde levensjaren)? Heeft iemand die kinderen heeft een hogere levenskwaliteit? En is die kwaliteit hoger naarmate zij of hij meer kinderen heeft? Of gaat het ook om de kwaliteit van leven van die kinderen zelf (die misschien zonder vader of moeder moeten opgroeien)? En moeten dan de vrienden en familieleden van kinderloze personen dan ook ‘in rekening’ gebracht worden?

Waarden zijn, wat ethici noemen, incommensurabel wat betekent dat we ze niet kunnen verrekenen; er is geen – zoals bij breuken – gemeenschappelijke noemer waar we ze op kunnen terugvoeren. Hoeveel warme baden zouden gelijkstaan aan de geboorte van een kind? Of hoe moet je de prijs van onze huidige, collectieve vrijheidsbeperking afzetten tegen de gewonnen levensjaren?  Dit tragische conflict van waarden zal straks misschien heel werkelijk worden. De commissies die de richtlijnen opstellen en de artsen die ze zullen uitvoeren kunnen het dus nooit ‘helemaal goed’ doen. Het is belangrijk om dat nu al te beseffen, en om solidair te zijn, niet alleen met de zieken, maar ook met hen die hun uiterste best moeten doen om ze te verzorgen.



Thomas Nys (1978) is universitair docent ethiek aan de Universiteit van Amsterdam.