Rafael Nadal: De Spaanse stier met een bang hart

Reeks sportbiografieën, Deel 4: ‘Rafa My Story’ van Rafael Nadal met John Carlin (2011)

De magie van sportbeleving bestaat uit traditie én locatie, of uit grootse wedstrijden. Voetbal heeft zijn Bernabeu en Wembley, en af en toe een topmatch in de Champions League-finale of het WK- voetbal waar spelers die éne extra inspanning leveren om in de annalen van hun sport te geraken.

De tennissport heeft ze allebei, bijna elk jaar. Wimbledon winnen is niet alleen de heilige graal voor elke tennisser, en voor de jonge knaap Nadal is het een allesopslorpende droom, maar Center Court heeft de wat bizarre eigenschap om regelmatig een wedstrijd uit de hoed te toveren waar je nog jaren van kan nagenieten (en dankzij YouTube nu elke dag). Borg-McEnroe in 1980, Federer-Djokovic in 2019 en voor vele tennisliefhebbers de meest memorabele wedstrijd uit de rijke tennisgeschiedenis: Roger Federer tegen Rafael Nadal in 2008.

En het is deze wedstrijd die als een rode draad door het boek loopt. Je krijgt een fascinerende inkijk in hoe Nadal deze wedstrijd tactisch heeft voorbereid, hoe hij zich mentaal oplaadde en hoe hij elk punt heeft beleefd. Het is bij wijze van spreken een schitterende handleiding als je de match terug in zijn geheel wil bekijken. Je geraakt geboeid door de dynamiek van elk punt waar je letterlijk bij elke slag de gedachtegang van Nadal kan meevolgen.

Nadal en Federer tijdens de Centre Court-finale op Wimbledon in 2008. Foto: AP Photo/Anja Niedringhaus

Deze biografie toont ook weer eens aan dat tennis waarschijnlijk de moeilijkste sport ter wereld is omdat het een individuele sport is waar je een bijna onmogelijke combinatie van slim tactisch inzicht, uitstekende techniek, explosieve fysiek en bovenal mentale sterkte moet ‘jongleren’ als een doortrapte goochelaar. Golf benadert tennis het dichtst maar is fysiek en tactisch veel minder complex. Bij wielrennen wint meestal de fysiek sterkste en in het voetbal of basketbal kan je slecht zijn en toch winnen met je ploeg.

Je apprecieert meer dan ooit wat een mentale slooptocht deze toptennissers moeten ondergaan tijdens een topmatch. Bij Nadal begint het allemaal al voor de wedstrijd waar hij vaste routines en rituelen gebruikt om te veranderen van de fictionele Clark Kent, een wat angstige jongeman die bijna paranoïde is over de gezondheid en de situatie van zijn gezin (de familie is het begin, het midden en het einde voor Nadal), tot een Superman die niets en niemand vreest en die via zelfhypnose opstaat uit dit angstmoeras. Hij bezweert zichzelf om te vechten voor elk punt tot hij erbij neervalt.

Routines zoals het opwarmen totdat hij zweet en het omgorden van zijn bandana op een bijna dreigende manier in de kleedkamer zijn voor vele tegenstanders symbolen van zijn mentale onoverwinnelijkheid. Voor de wedstrijd komen ze al met knikkende knieën het veld op. En last but not least het opzetten van een ‘una buona cara’, een ‘goed gezicht’, wat betekent dat je onder geen enkel beding laat zien aan je tegenstander dat je zenuwachtig bent of dat je vermoeid bent en dat je nog liever sterft op het terrein dan een glimlach te tonen tijdens de match.

Die mentale veerkracht heeft hij te danken aan zijn illustere oom Toni, een iets maar niet veel mindere versie van Earl Woods (de vader van Tiger Woods), die hem vanaf zijn zesde jaar heeft klaargestoomd voor de top en hem mentaal weerbaar heeft gemaakt .Volharding is het codewoord bij de Nadals: nooit opgeven, in staat zijn om om te gaan met onrechtvaardigheden, een ijzeren discipline aan de dag leggen en nooit ofte nooit klagen.

Rafael Nadal viert zijn overwinning op Taylor Fritz tijdens de Mexican Open 2020. Foto: AP Photo/Rebecca Blackwell

Als ze speelden tot 20 liet Toni hem als beginnende tennisser tot 19 voorkomen om hem dan te verslaan. Er werd nooit gevierd in de familie bij de thuiskomst. Toen Nadal na het winnen van de US Open in 2010 laat was thuisgekomen, werd hij de volgende ochtend al vroeg gewekt om terug te gaan trainen. De op dat moment meest beroemde tennisser ter wereld stond dan ook moederziel alleen te tennissen met zijn oom, na het behalen van de Career Grand Slam – de 4 Grand Slams – als allerjongste tennisser ooit.

Dat deed hij op een wat afgeleefd tennisveld van het gemeentelijke sportcomplex van Manacor – zijn geboortedorp waar hij nooit is weggegaan. Geen hond die hem kwam feliciteren of toekijken. Dit was de wet van Toni Nadal om te vermijden dat Rafa naast zijn schoenen zou lopen. Schitterend is de anekdote dat hij in New York tussen zijn trainer en Toni liep. Zijn oomriep uit dat dit totaal ongepast was en dat Rafa langs de kant moest lopen. Nadal moest eens denken dat hij en zijn trainer zijn escortes of bodyguards waren, een eer die hem nooit te beurt mocht vallen.

Die Spartaanse levenshouding zit ingebakken in de Nadals, wat hen wat atypisch maakt in Mallorca, waar dolce far niente toch eerder de instelling is dan een soort West-Vlaamse strebersmentaliteit.

Ook hier krijgen we, zoals bij Tiger Woods en Roger Federers biografieën, een goed zicht op de ‘Why’, het ‘waarom’ dat Rafa ertoe aanzette om vanaf zijn prille jeugd elke dag deze niet aflatende lijdensweg van harde fysieke en mentale trainingen te doorstaan. Er zijn natuurlijk de klassiekers die voor alle toppers gelden zoals de onbedwingbare drang om te winnen en de onevenaarbare adrenaline rush die door je aderen vloeit als je een trofee binnenhaalt.

Rafael Nadal op de Mexican Open in Acapulco, Mexico. Foto: AP Photo/Rebecca Blackwell

Bij Nadal was er op jonge leeftijd echter al een bijna religieuze ervaring die een gids werd voor zijn verdere carrière. Als tienjarige verloor hij een gemakkelijk te winnen match in Palma met 6/3 6/3 – het boek staat vol van deze details – van een te kloppen tegenstander. Na de match hield hij bijna niet op met schreeuwen. Zijn vader kon hem amper tot bedaren brengen. Bij het avondeten vertelde Rafa dat hij dit gevoel nooit meer wilde meemaken. Het gevoel dat hij niet tot het uiterste was gegaan, zichzelf had ontgoocheld en hij onder zijn mogelijkheden had gepresteerd. ‘Nooit meer’, zei hij. Het boek stelt mooi dat op dat moment ‘a bridge was crossed’ en er geen weg terug was.

Dit is ook een autobiografie zoals deze van Peter Sagan, waardoor het gevaar bestaat dat de schaduwschrijver eerder zijn eigen gedachten neerschrijft. Dit lost Carlin echter zeer slim op door Nadal aan het woord te laten, op een heel natuurlijke en authentieke manier – hier geen onbegrijpbare termen of ongeloofwaardige uitspraken –, en dit af te wisselen met hoofdstukken waarin zijn entourage, van zijn oom Toni tot zijn ouders aan het woord komen.

Opvallend is dat het, zoals bij Sagan, hier over Nadals allerbeste periode gaat (2008 tot 2010) waarin hij de Career Grand Slam binnenhaalde. Hij was daarna nog wel zeer goed, vooral dankzij al zijn Roland Garros overwinningen, maar nooit meer was hij zo dominant. Het einde van het boek, de US Open van 2010 waar hij Djokovic nog aftroefde is het laatste jaar waar Federer en Nadal de prijzen verdeelden. Daarna behoorde het decennium grotendeels aan de Serviër. Misschien is het toch niet zo’n wijs idee om al voor het einde van je carrière een autobiografie te schrijven, zeker als je nog maar 25 was zoals Nadal.

Voor de rest is deze autobiografie een absolute aanrader voor eenieder die houdt van de meest edele der sporten – althans volgens de Engelsen.

Volgende keer:

Deel 5: ‘It is not about the bike’ van Lance Armstrong

Reeds verschenen:

Deel 1: ‘Federer’ van René Stauffer

Deel 2: ‘Sagan, mijn wereld’ van Peter Sagan met John Deering

Deel 3: ‘Tiger Woods’ van Jeff Benedict en Armen Keteyian