Lance Armstrong: Het onwaarschijnlijke verhaal achter de dapperste en meest gedopeerde der wielermohikanen

Sportbiografieën Deel 5: ‘It is not about the bike’ van Lance Armstrong met Sally Jenkins (2001)

Luisteraars van de overigens schitterende podcast ‘The Move’, waar ‘The Boss’ zijn licht laat schijnen op de wielersport, weten dat hij een meester van het woord is die bovendien over alles een welgevormde, relevante – het moet gezegd – opinie heeft. Deze autobiografie is dan ook ‘vintage’ Armstrong. Het leest vlot, is absoluut geloofwaardig – je kan zijn karakter gewoon van de letters aflezen – en geeft een fantastische kijk in de wereld van de meest bekende – en intussen beruchte – wielrenner die ooit op de planeet heeft rondgelopen. En dit voor alle schandalen losbarstten.

Het boek verhaalt het leven van Armstrong tot en met zijn tweede Touroverwinning. Hij beschrijft zijn jeugd, vervolgens zijn gevecht tegen kanker, hoe hij opstond uit de doden en uiteindelijk begon aan zijn zegereeks in de Tour. In die tijd was deze ‘verrijzenis’ voor de goegemeente verreweg het strafste comebackverhaal dat zich ooit in de sportgeschiedenis heeft afgespeeld. Hij was immers zo goed als doodverklaard – wat hij in geuren en kleuren in deze autobiografie vertelt.

Even ter herinnering voor de statistici onder onze lezers. Armstrong kreeg teelbalkanker in 1996 op 25-jarige leeftijd. Daarvoor had hij een paar grote koersen gewonnen zoals het WK in Oslo toen hij 23 werd, maar de Tour was niet zijn ding. 1993: DNF (did not finish); 1994: DNF; 1995: 36ste; 1996: DNF. En dan vanaf 1999 tot en met 2005 eindigde hij op de eerste plaats. Zeven maal won hij ’s werelds zwaarste fysieke beproeving, twee meer dan Eddy Merckx.

Lance Armstrong in de Tour de France in 2010. Foto: Jean Catuffe

Het mag niet verbazen dat je als lezer op zoek gaat naar referenties die de kiemen bevatten van dit systematische dopinggebruik en van deze ongelooflijke succesreeks. En je wordt op je wenken bediend. Wat verder in het boek verwijst Armstrong naar de epo-manie die zich van de Tour had meester gemaakt – 1998 was immers de epo-Tour – en stelt hij onomwonden dat ‘I never felt that way, and certainly after chemo, the idea of putting anything foreign in my body was especially repulsive.’

Naast dit sterk staaltje hypocrisie lees je ook dat Armstrong door zijn kankerbehandeling een expert werd in alles wat zijn lichaam terug beter kon maken. De ironie wil dat epo een veel gebruikte stof is om de lage hematocrietwaarden van kankerpatiënten legaal naar boven te halen. Er was ook een fysieke reden dat hij achteraf zo goed scoorde. Hij verloor meer als tien kilo waardoor hij evolueerde van een Museeuw-achtige renner naar een Evenepoel-type.

De ‘Why’, het waarom dat hem als topsporter drijft, ontdekken we al heel vroeg in het boek. Armstrong groeide op in een middenklassegezin met een moeder die hard werkte om hem te ondersteunen en een dominerende stiefvader die hem mishandelde. De fiets was voor hem enerzijds een vlucht, weg van de toxische thuisomgeving, en anderzijds een weg naar erkenning waar hij zelf geld verdiende om zich af te zetten tegen diezelfde middenklasse. Hij bleek al vroeg talent te hebben, eerst in triathlon – multisportfans hebben al heroïsche debatten uitgevochten of Armstrong de Kona Ironman had kunnen winnen na zijn carrière – en vervolgens in het wegwielrennen. Hij rebelleerde op school en ging ook in de koers zijn eigen weg, wars van alle adviezen.

Hij hield ervan andere renners te provoceren als ze zich niet hielden aan ‘zijn wetten’. Legendarisch zijn de ‘bedreigingen’ aan het adres van Michael Boogerd in de Amstel Gold van 1999 waar hij zijn medevluchter van profitariaat verdacht – terecht overigens – en waar hij na de wedstrijd Boogerd toeriep: ‘You are going to pay me back in July!’ Zijn wat arrogante eigenwijze gedrag zou nooit meer echt weggaan en zou hem heel wat vijanden opleveren in het peloton, maar Armstrong had een stalen mentale gestel waar al deze kritiek van afliep.

Lance Armstrong. Foto: REX

Een opvallende vermelding gaat weer naar Nike. Het sportmerk is eigenlijk de rode draad in alle sportbiografiëen die we hier bij Newsweek bespraken. Zoals bij Tiger Woods, Roger Federer en Rafäel Nadal is het toch weer zeer opvallend hoe dit iconische merk er telkens in slaagde om zeer vroeg toptalent te ontdekken en valt het ook op dat zij hun sporters nooit lieten vallen zelfs in moeilijke tijden, wat hen de laatste decennia geen windeieren heeft gelegd. Dit contrasteert met Cofidis bijvoorbeeld, die hun contract met een kankerlijdende Armstrong opzegden, een wat laffe daad in die tijd.

Als lezer moet je wel wat over de soms wat pathetische zinsneden overlezen. Zoals het een held en overlever betaamt, komt de alom gevreesde quote op het einde toch naar boven: ‘If you asked me to choose between winning the Tour De France and cancer … I would choose cancer’. En zo zijn er vele pagina’s gevuld met referenties naar zijn geduldige eerste vrouw, zijn ‘heilige verpleegster’ en de heröische dokters die zijn leven redden. Dit belet niet dat het boek verplichte literatuur is voor de wielerfan om de geschiedenis van deze sport te begrijpen, tijdens de turbulente laatste dopingjaren van de vorige eeuw.

Finaal nog iets over het Belgische godentalent Remco Evenepoel. Hij komt in dit boek niet voor natuurlijk maar de allereerste keer dat Armstrong de Classica San Sebastian in 1992 reed was hij … allerlaatste. Evenepoel won bij zijn eerste deelname.

Reeds verschenen:

Deel 1: ‘Federer’ van René Stauffer

Deel 2: ‘Sagan, mijn wereld’ van Peter Sagan met John Deering

Deel 3: ‘Tiger Woods’ van Jeff Benedict en Armen Keteyian

Deel 4: ‘Rafa My Story’ van Rafael Nadal met John Carlin