Het vicepresidentschap van de Verenigde Staten: ‘Ik ben niets, maar ik kan alles worden’

‘Er waren de reizen rond de wereld, de chauffeurs, de militairen die salueerden, mensen die applaudisseerden en de voorzitterschappen van al die verschillende instellingen, maar uiteindelijk stelde het niets voor. Ik haatte elke minuut ervan.’ 

In het boek Lyndon Johnson and the American Dream van Doris Kearn Goodwin reflecteerde de latere president Lyndon Baines Johnson ongemeen bitter over zijn jaren als vicepresident. 

Amerikanen hebben een lage dunk van het vicepresidentschap en dat geldt vooral voor de vicepresidenten zelf. Joe Bidens stafchef zei het ooit als volgt: ‘In Amerika telt enkel wie wint, dus al wie met een grote badge aankomt waarop staat geschreven: ‘Ik ben nummer twee’, vraagt om moeilijkheden…’ 

Biden kan straks nummer één worden. Wie zijn running mate wordt, blijft nog even koffiedik kijken, maar de kans dat het een veel jongere, zwarte of latinovrouw wordt is ongemeen groot. Complementariteit heet dat en het is de rode lijn die loopt doorheen zowat alle keuzes voor een ‘running mate’.

VP’s worden dan ook zelden gekozen voor het goed van de natie. Ze worden gekozen om in verkiezingstijd de zwaktes van kandidaat-presidenten te compenseren om daarna opnieuw de luwte van hun ambt op te zoeken. Jimmy Carter had geen ervaring in het Congres en koos de gerespecteerde Washingtonveteraan Walter Mondale als running mate. Ronald Reagan had weinig kaas van een buitenlandbeleid gegeten en koos voor George W.H. Bush, die ambassadeur bij de Verenigde Naties was geweest en Amerikaans verbindingsofficier in China. Bill Clinton zou in normale omstandigheden niet eens aan Al Gore hebben gedacht, maar zijn toen al talrijke seksuele escapades lieten hem weinig keus: met de onbesproken Al Gore als running mate, kon Clinton de twijfelaars doen geloven dat hij het licht had gezien en zijn leven zou beteren. 

(De relatie tussen Gore en Clinton was de laatste twee jaar van diens presidentschap volledig verzuurd. Vooral dat Gore dochters van Lewinsky’s leeftijd had zat de vice- president dwars.) 

Hetzelfde geldt voor Donald Trumps ‘running-mate’ Mike Pence. De gedisciplineerde gouverneur uit de staat Indiana was de antipode van de flamboyante New Yorkse vastgoedtycoon. Hij scoorde hoog bij de ‘evangelicals’ en moest voor Trump kiezers uit de ‘Rust Belt’ overhalen. Dat is een wat informele term voor grote delen van het geïndustrialiseerde Amerikaanse Midwesten, die na 1980 onder de impuls van de Chinese wedergeboorte tot verval werden veroordeeld. Pence werd door velen als de mogelijke redding van ‘het ontluikende drama Trump’ beschouwd. Hij beledigde niemand, pestte niemand en droeg ook de huwelijkstrouw hoog in het vaandel. Iets wat allerminst over zijn toekomstige baas kon worden gezegd. Het ‘Grab ‘em by the pussy’-verhaal moest toen nog uitbreken.

Toch kan niemand ontkennen dat de job van vicepresident de voorbije decennia sterk is geëvolueerd. In The Passage of Power, het vierde deel van de magistrale biografie ‘The Years of Lyndon Johnson’, beschrijft auteur Robert A. Caro – hij werkte in totaal meer dan 40 jaar aan Johnsons levensbeschrijving – LBJ’s vicepresidentschap als ‘de jaren waarin hij niets om handen had’. ‘Toen een oude vriend uit Texas in Washington op bezoek was zei Johnson hem: ‘Weet je, ik heb eigenlijk niets te doen. Laten we even buiten gaan’. Waarna beiden midden op de dag naar het platteland reden om er in Fairfax (Virginia) een kopie van George Washingtons testament te gaan bekijken…’ 

Waarom dan had deze briljante politicus zijn plaats als fractieleider van de meerderheid in de senaat opgegeven voor een onbetekende job als die van vice president, een functie not worth a bucket of warm piss, zoals John Nance Garner, die vicepresident was onder Franklin Roosevelt, ze omschreef? 

Voormalig president Lyndon B. Johnson (links, zonder zonnebril) en vice-president Spiro Agnew (rechts, midden) bekijken de lancering van Apollo 11 vanaf het Kennedy Space Center op 16 juli 1969.

Johnson had zijn huiswerk gemaakt. Zeven van de toen 33 Amerikaanse presidenten waren tijdens hun ambtstermijn overleden (Kennedy zou de achtste worden), 10 vicepresidenten hadden het Witte Huis gehaald, dat was er één op drie. Of, zoals John Adams, een van zijn verre voorgangers, het beter had geformuleerd: ‘Ik ben niets, maar ik kan alles worden.‘ (De cijfers zijn vandaag nog even gunstig: 14 van de 45 vicepresidenten behaalden uiteindelijk de hoofdprijs: acht omdat hun baas stierf of ontslag nam; zes omdat ze de presidentsverkiezingen wonnen.) De kansen liggen dus ruwweg rond de één op drie. Johnson zou 60 worden in 1968, wanneer Kennedy’s twee ambtstermijnen er op zouden zitten. En hij was overtuigd dat hij ook als ‘veep’ een politieke rol te spelen had. 

Maar, he was dead wrong,schrijft Caro. ‘In de Senaat werd hij genegeerd en de Kennedy’s – vooral Robert kon zijn minachting voor Johnson moeilijk verbergen – hielden hem mijlenver van elke politieke beslissing weg.’ Tot ene Lee Harvey Oswald op een prachtige herfstdag in Dallas besloot geschiedenis te schrijven en van Lyndon Baines Johnson de eerste en enige vicepresident maakte die de moord op zijn baas in levende lijve zou meemaken. Amper twee uur nadat JFK drie kogels in het lijf kreeg, was John Adams’ wens LBJ’s waarheid geworden… 

Een deel van het probleem van het vicepresidentschap is de Amerikaanse Grondwet. Naast de plicht om de president op te volgen of te vervangen wanneer die niet langer in staat is zijn ambt uit te voeren, voorziet die de VP enkel van het recht om de Senaat voor te zitten. Een omschrijving die om problemen vraagt. De vicepresident staat zo dicht bij de macht dat hij haar kan ruiken. Maar het ambt komt vooral met beperkingen en frustraties. Hij mag geen wetsvoorstellen indienen, heeft geen vetorecht en mag evenmin belangrijke taken van de president overnemen. 

Dwight D. Eisenhower (links) en Richard Nixon. Foto: Nixon Foundation

Johnson was niet de enige die door de woestijn ging. Richard Nixon zei ooit tegen Henry Kissinger dat zijn vice president Spiro ‘Ted’ Agnew zo onbekwaam was, ‘dat hij geen betere verzekering tegen een moordaanslag had kunnen bedenken.’ (Nixon wist waarover hij sprak. Tussen 1953 en 1961 had hij acht jaar lang als vicepresident gediend onder Dwight Eisenhouwer. Toen journalisten tijdens een persconferentie in augustus 1960 aan president Eisenhouwer vroegen om een voorbeeld te geven van een idee dat hij van Nixon had overgenomen, antwoordde de vijfsterrengeneraal: ‘Als je me een week geeft, zal ik waarschijnlijk wel met iets voor de dag komen’). Die uitspraak zou Nixon in 1960 het presidentschap kosten. Zijn tegenstander John F. Kennedy had de les van Eisenhouwer goed onthouden. In zijn door de familie geautoriseerde biografie The Death of a President van William Manchester omschrijft John F. Kennedy zijn vicepresident Lyndon B. Johnson als ‘een acteur uit een D-film’. 

Toen wijlen senator John McCain – die in 2008 zelf een gooi naar het presidentschap deed – de vraag gesteld kreeg of hij bereid was het vicepresidentschap te aanvaarden, antwoordde hij: ‘U weet dat ik jaren in gevangenschap heb doorgebracht in Noord-Vietnamese strafkampen, waar ik het daglicht niet kon zien en enkel troep te eten kreeg. Waarom zou ik zo’n ervaring nog eens overdoen?’

President William J. Clinton (rechts) en vice-president Al Gore zingen het volkslied tijdens de presidentiële openingsceremonie van 1997.

Hoewel het vicepresidentschap met zowat alles is vergeleken, van ‘een reserveband’ tot ‘een emmer zeik’, zou het uiteindelijk toch Al Gore zijn die het ambt tot een ongekend niveau zou tillen. Clinton gaf zijn VP nooit eerder geziene bevoegdheden op vlak van buitenlands beleid, technologie, milieu en de hervorming van het ambtenarenapparaat. Gore ondertekende verschillende overeenkomsten met Rusland, toen een opkomende supermacht. Zijn handelingsvrijheid schepte een precedent in de Amerikaanse geschiedenis. Staatssecretaris Warren Christopher noemde Gore dan ook de meest invloedrijke vicepresident uit de geschiedenis: ‘Gore en Hillary waren Clintons twee topadviseurs. Wanneer zij aanwezig waren werden belangrijke beslissingen genomen. Waren ze er niet, dan gebeurde er ook niets.’ 

Hoewel Gore als eerste belangrijke stappen zou zetten naar een hervorming van het vicepresidentschap, zou het vooral George W. Bushs vicepresident Dick Cheney zijn die de meest invloedrijke vicepresident uit de geschiedenis zou worden. Cheney’s status werd vaak vergeleken met die van een premier en critici houden vol dat het wel degelijk hij en niet de president was die op 11 september 2001 beval vlucht 93 van United Airlines neer te halen, terwijl zijn baas in een kleuterklasje in Florida een stukje voorlas uit The Pet Goat

De steeds belangrijker wordende rol van de VP heeft de voorbije decennia ook geleid tot een steeds grotere staf. Vicepresidenten beschikken nu over een team dat groter is dan dat waarover de president onmiddellijk na W.O. II de leiding had. Dick Cheney beschikte in 2005 over een stafchef, een vicestafchef, een stafchef voor mevrouw Cheney, vijf persoonlijke assistenten en twee vice-assistenten. (Ter vergelijking: toen LBJ als vice president aantrad onder John Kennedy, woonde die aan de overkant van het Witte Huis, had hij daar niet eens een kantoor en stond zijn telefoonnummer gewoon in de witte gids onder de andere inwoners van de Amerikaanse hoofdstad Washington vermeld.) 

Cheney was dan ook niet de eerste de beste. Hij had jarenlang in het Huis van Afgevaardigden gezeteld, was stafchef van president Gerald Ford geweest en had onder vader Bush als minister van Defensie gediend. Toen de Republikeinen in 1992 de macht aan de briljante Bill Clinton moesten laten ging hij de zakenwereld in, waar hij het tot CEO van Halliburton zou schoppen, een Texaans oliebedrijf met een groot gamma aan filialen en nevenactiviteiten. Dat hij uiterst succesvol was is een understatement, want toen George W. Bush in juli 2000 aankondigde dat Cheney zijn running mate zou zijn, werd diens persoonlijk fortuin al op zo’n 50 miljoen dollar geschat. 

President Georg W. Bush (rechts) en vice-president Dick Cheney praten in het Oval Office.

Cheney schaamde zich geenszins voor zijn rijkdom. Tijdens het televisiedebat dat de kandidaat vicepresidenten om de vier jaar houden probeerde Al Gore’s running mate Joe Lieberman Cheney met diens rijkdom in het nauw te drijven toen die keer op keer de Clintonjaren probeerde te discrediteren. Maar Lieberman was geen partij voor Cheney, zoals uit volgende dialoog blijkt:

Lieberman: ‘Ik denk dat als je de mensen in Amerika de fameuze Ronald Reaganvraag stelt, ‘Bent u vandaag beter af dan acht jaar geleden,’ de meeste Amerikanen bevestigend zouden antwoorden. Ik ben blij te zien dat ook u beter af bent. (Gelach op de achtergrond) 

Cheney: ‘Ik kan u verklappen dat de overheid daar niets mee te maken heeft’. (Gelach op de achtergrond) (Applaus). 

Lieberman: ‘Ik kijk naar mijn vrouw en zie haar soms denken: ‘Misschien zou hij ook beter in de privé zijn gegaan’. 

Cheney:‘Wel Joe, dat is exact wat ik nu voor jou ga trachten te bewerkstelligen.’ 

Dat de overheid niets met Cheney’s rijkdom te maken had was een platte leugen. In de periode dat Cheney CEO was verdubbelde Halliburton de inkomsten uit overheidscontracten tot 2,3 miljard dollar. In dezelfde tijdsspanne werd ook het bedrag dat aan lobbying werd besteed verdubbeld. Cheney wist dus maar al te goed hoe het spel moest worden gespeeld. 

Maar tijdens het debat etaleerde Cheney zijn sluwheid, zijn intelligentie en zijn leiderschapskwaliteiten. In de acht jaren van George W. Bushs presidentschap zou zelden iemand opstaan die stelde dat Cheney onbekwaam was om het land te leiden. Integendeel, meer dan eens zouden politieke tegenstanders Cheney ervan verdenken bekwamer te zijn dan zijn baas en achter de schermen de touwtjes stevig in handen te hebben. 

Doch de strijd om dat presidentschap werd in 2000 niet tijdens de tv-debatten of in het stemhokje, maar door het Amerikaanse Hooggerechtshof beslist. 36 dagen na de verkiezingen mocht Albert Arnold Gore- naast Nixon (1960 – hij haalde het pas na zijn tweede poging in 1968), Humphrey (1968), Mondale (1980) en Quayle (1992) – alsnog zijn naam bijschrijven op de lijst van naoorlogse vice- presidenten die naast het presidentschap grepen. 

Na de Florida-saga ging Gore een tijd in ballingschap en keerde daarna terug naar de privésector, waar hij zich bezig hield met het maken van documentaires, experimenteerde met burgerjournalistiek en zijn polemiek met de Bush-administratie verder zette. Even leek hij zelfs Amerika’s meest gefrustreerde man te gaan worden. Maar zijn wraak was zoet. 

Hjj zou de eerste vicepresident worden die na zijn ambtstermijn een Nobelprijs kreeg toegewezen voor zijn bijdrage aan de bewustmaking van de gevolgen van de klimaatverandering. Dat gebeurde in 2007. Een jaar eerder was zijn documentaire An Inconvenient Truth in Hollywood met een Oscar en verschillende Grammy’s beloond. 

In 2009 leek Gore al goed op weg om ‘s werelds eerste millennium-miljardair te worden na jarenlang geld te hebben gestoken in groene energiebedrijven. Ook zijn zitje in de raad van bestuur van het techconcern Apple en zijn adviseurschap bij Google legden de ex-senator van Tennessee geen windeieren. In december 2012 dan verkocht Gore zijn tv-zender Current TV aan het Qatarese Al Jazeera voor de bagatel van een half miljard dollar. 

En zo werd Albert Arnold Gore toch nog het levende bewijs dat voor wie de hoofdprijs aan zich moet laten voorbijgaan en jarenlang als nummer twee door het leven is gegaan, er wel degelijk leven is na de dood.