Het kruitvat van de Kaukasus

Georgië, en bij uitbreiding de hele Kaukasusregio, is zich snel aan het ontwikkelen tot een toeristische topper. Maar wie afwijkt van het toeristische pad, wordt geconfronteerd met de politieke realiteit van de regio: dit is een van ’s werelds kruitvaten.

De Georgische militaire weg is een must voor wie naar Georgië op reis gaat. De E117, zoals hij nu ook wel op de kaart staat, loopt van Tbilisi in Georgië naar Vladikavkaz in Rusland en volgt de traditionele route die gebruikt werd door indringers en handelaren door de eeuwen heen. De weg loopt door een pittoresk landschap met bijvoorbeeld de Kazbek, de Darjalkloof, de Drievuldigheidskerk van Gergeti, de oude stad Mtscheta (de historische hoofdstad van Georgië), het Dzjvariklooster uit de zesde eeuw, het middeleeuwse fort van Ananuri en de stuwdam Zemo-Avchala.

Het is ook de enige echte doorsteek tussen Rusland en alles wat ten zuiden van het Kaukasusgebergte ligt, inclusief Turkije.

Wie op die E117 blijft – en ik raad eerlijk gezegd iedereen aan om dat te doen – zal niet geconfronteerd worden met het feit dat je nooit echt ver weg bent van oorlogsgebied. In casu Zuid-Ossetië.

Georgië ziet Zuid-Ossetië als onderdeel van zijn staatsgebied en wordt daarin gesteund door de meeste landen en internationale organisaties. Het gebied zelf verklaarde zich echter in 1990 als de Republiek Zuid-Ossetië onafhankelijk. ‘Ingewikkeld’ is het woord dat je zoekt als je het over Zuid-Ossetië hebt. Ze hebben er een regering, ondanks het feit dat er amper 60.000 mensen wonen in een gebied zo groot als de provincie Antwerpen. Die regering wil samengaan met Noord-Ossetië, aan de overkant van de grens met Rusland. Een groot deel van de bevolking heeft een Russisch paspoort aangevraagd om mede te kennen te geven niet bij Georgië te willen horen. De Noord-Osseten (die Russen zijn dus) van hun kant zien een vereniging met Zuid-Ossetië niet echt zitten. Moskou daarentegen wél.

Het is geen fabeltje dat je ’s avonds kunt gaan slapen in Georgië om ’s ochtends wakker te worden in door Russen bezet gebied.

Sinds de laatste oorlog tussen Rusland en Georgië in 2008 hebben de Russen duizenden militairen naar Zuid-Ossetië gestuurd en ongeveer 25 militaire basissen geïnstalleerd in het gebied. Twee daarvan, Orchosani en Akhmaji, liggen op amper 40 kilometer in vogelvlucht van de Georgische hoofdstad Tbilisi. De Georgiërs beschuldigen de Russen ervan dat ze systematisch de grens opschuiven – dat gebeurt op een surrealistische manier: ’s nachts verleggen de Russen effectief de prikkeldraad die de twee gebieden scheidt. Het is echt geen fabeltje dat je ’s avonds kunt gaan slapen in Georgië om ’s morgens wakker te worden in Russisch bezet gebied.

Als toerist is Zuid-Ossetië een absolute no-gozone. Het is illegaal voor de Georgiërs als je dat doet en het mag ook niet van de Zuid-Osseten. Komt bij dat de Russen geen pottenkijkers willen. Reden genoeg dus om er toch eens te gaan kijken, dachten we. En dus draaiden mijn echtgenote en ik, clever vermomd als toeristen, de E117 af in Kobi.

Patrouilleren tegen schapenkuddes

Je bent dan in vogelvlucht slechts enkele kilometers verwijderd van een gebied dat aan weerszijden gepatrouilleerd wordt door zwaarbewapende soldaten. Het is allemaal des te absurder omdat ze in Kobi begin dit jaar een kabelbaan met een capaciteit van 2.800 personen per uur geopend hebben die je 7,1 kilometer verderop in Gudauri, Georgiës grootste skigebied, dropt.

Achter die skilift en voorbij de mineraalwaterfabriek van Kobi loopt de weg naar Zuid-Ossetië. ‘Weg’ is een groot woord: vanaf hier heb je een behoorlijke 4×4 nodig om de rivier Tergi te volgen door de Trusovallei. Tenminste, tot Georgische soldaten je tegenhouden.

Tot niet zo lang geleden werd oogluikend toegestaan dat je tot de ruïnes van het Zakagori-fort doorploeterde met de wagen, waar effectief de grens met Zuid-Ossetië ligt. Maar sinds een paar maanden is de spanning weer opgelopen, nadat vanuit Zuid-Ossetië een Georgische drone neergehaald werd.

In Ketrisi, waar de weg via een gammel bruggetje over de Tergi gaat, stuitten we op een Georgische patrouille. Over de brug, links, is het pad naar Zakagori. Maar er is ook een klein pad naar rechts, en dat brengt je na amper een kilometer in Zuid-Ossetisch gebied. Er staan hier waarschuwingsborden: je mag er niet naartoe en het is hier verboden om foto’s te nemen, te filmen of zelfs je telefoon te gebruiken. Twee soldaten blokkeren er met een pick-uptruck de weg. Ze houden ons met verrekijkers in de gaten.

Dat het menens is, blijkt de volgende minuten, als van de berg achter ons een herder komt met een kudde schapen, geiten en koeien. Het is die tijd van het jaar dat de beesten naar de vallei gehaald worden, want de keiharde winter komt eraan. Dieren en grenspolitiek, dat is verloren moeite, en, de schapen op kop, schieten nietsvermoedend het verboden pad rechts in. Tot grote paniek van de Georgische grenspatrouille, die eerst een paar keer claxonneert, maar wanneer dat niks uithaalt, achter de kudde en de herder aangaan. We zien hoe ze hem honderd meter verderop onderscheppen. De kerel krijgt een ferme bolwassing en wordt teruggeëscorteerd – het is onze lucky break, want nadat de kudde weer een paar keer geprobeerd heeft de verkeerde richting uit te gaan, beslissen de twee grenswachten om de boer te vergezellen richting Kobi. Tijd om iets te doen wat niet mag.

Wat we tegenkomen in Zuid-Ossetië is niet meteen iets waar je vrolijk van wordt. Het zijn voornamelijk ruïnes met duidelijke sporen van de oorlog die hier ondertussen meer dan tien jaar geleden uitgevochten werd. De Russen hebben hier dan wel een massa soldaten naartoe gestuurd, een budget om de regio economisch te steunen was er duidelijk niet. Er wonen mensen in die ruïnes, dat kun je zien aan de schotelantennes en de varkens die vrij rondlopen.

En de Russen zijn er wel degelijk. Op een gegeven moment passeert een 4×4 ons – en daarin twee mannen in camouflagepakken met kalasjnikovs in handbereik. Op hun mouw de vlag van de Russische Federatie. Ze rijden ons tergend langzaam voorbij en gunnen ons zelfs een vriendelijk lachje, maar wanneer ze 25 meter verderop blijven staan met de jeep valt het signaal niet te miskennen: het is tijd om terug te draaien.

Throwback naar middeleeuws West-Europa

Dat de spanning nooit ver weg is, blijkt ook ’s anderendaags, wanneer we richting Russische grens net voor Stepantsminda (het vroegere Kasbegi) rechts afdraaien, de Snovallei in. 17 kilometer verderop loopt de aardeweg dood in Juta. We zijn hier in het gebied van de Chevsoeren.

Als toerist is Zuid-Ossetië een absolute no-gozone. Reden genoeg om er toch eens te gaan kijken, dachten we.

De twee- à drieduizend Chevsoeren zijn een van de ongeveer vijftig etniciteiten die in de Kaukasus wonen, een gebied dat 1.200 kilometer lang en maximaal 160 kilometer breed is. In de jaren 50 van de 20ste eeuw werden de Chevsoeren door de Sovjets gedwongen om te verhuizen naar de valleien, waardoor een groot aantal bergdorpen sindsdien verlaten zijn. Ze hebben desondanks veel van hun traditionele kledij, huizen, wapens, gewoonten en gebruiken weten te behouden.

En die zijn op z’n zachtst gezegd bijzonder. De Chevsoeren zijn wellicht afstammelingen van West-Europese kruisvaarders die zich in de 12de en 13de eeuw in de regio vestigden. Het verklaart waarom ze meestal blauwe en soms grijsgroene ogen hebben en lichtbruin haar.

De sociale en religieuze cultuur van de Chevsoeren lijkt tot de dag van vandaag sterk op die van het middeleeuwse West-Europa. Het is ook een van de weinige plekken in de wereld waar christen- en heidendom naast elkaar en mét elkaar gaan. Ze geloven hier onder meer in Iakhsar en Kopala, heilige mensen die de veelkoppige, mensenetende ogers doodden die de Kaukasus in het mythische verleden bewoonden. Maar ze zijn er net zo zeer fan van Sint-Joris en de maagd Maria.

Er worden hier nog bloedoffers gedaan – je kunt het zien in de witte kapelletjes die tegen de bergwanden staan om de zoveel kilometer en die een klein prieeltje voor het hart van een hert of ander beest hebben. Kinderen worden hier nog steeds op tienjarige leeftijd ingewijd in de cultus van Iakhsar, maar evenzeer als baby gedoopt.

Wat niet wil zeggen dat de 20ste eeuw ver weg is. In Juta, aan het eind van de weg, zijn verschillende plekken waar je kunt logeren en is er zelfs een camping. Stel er je niet te veel bij voor, maar logeren in het Fifth Season, met zicht op bergen, is bucketlistmateriaal.

Maar zoals gezegd: conflict is in deze regio nooit lang uit de lucht. Je zit hier op een paar kilometer van Ingoesjetië en Tsjetsjenië. Beide maken deel uit van Rusland. In Ingoesjetië is het al hommeles sinds het voorjaar van 2019 en het land zit de facto zonder leider. Het heeft nu ook openlijk ruzie met Tsjetsjenië, onder meer over een grenskwestie. Beide landen zijn ook overwegend islamitisch, en aan de andere kant van de bergen die je ziet – met een goed glas rode Georgische wijn in de hand vanaf het terras van het Fifth Season – zitten tot de tanden gewapende rebellen die de Russen maar niet onder de knoet krijgen. En ze vechten door, voor het ideaal van een emiraat van de Kaukasus.

Twee dagen voor we er waren, hadden Tsjetsjeense rebellen er nog een Russische soldaat gedood in een hinderlaag. Het is alweer een reminder van hoe dun de grens tussen oorlog en vrede, tussen miserie en welvaart hier is. Zowel de Britse als Amerikaanse ministeries van Buitenlandse Zaken hebben het gebied sindsdien opnieuw level 4 (rood) gemaakt; het hoogste niveau dat staat voor ‘ga daar onder geen beding naartoe’.

Hoe snel Georgië ook aan het moderniseren is, de kloof tussen Kerk en Staat wordt steeds kleiner.

De Russen zeggen dat ze de islamistische vrijheidsbewegingen in de Kaukasus de afgelopen jaren uitgeschakeld hebben. Ze hebben die wellicht een ferme klap toegediend, maar zeker niet geliquideerd. In Ingoesjetië, Dagestan, Kabardië-Balkarië (daar bevindt zich de hoogste berg van Europa, de Elbroes – 5.642 meter) en Tsjetsjenië waren dit jaar bijna wekelijks clashes tussen rebellen en plaatselijke ordediensten en/of het Russische leger, waarbij telkens meerdere doden vielen.

Officiële stichter van Georgië: maagd Maria

Het Kaukasusgebergte is nu eenmaal een van die regio’s waar geweld onvermijdelijk lijkt, ook al omdat het er altijd al geweest is. De strategische ligging verklaart gedeeltelijk de geopolitieke en macro-economische spanningen tussen grootmachten, die meer invloed zoeken om hun veiligheid te waarborgen. De regio is sinds de val van de Sovjet-Unie onderworpen aan verschillende territoriale geschillen, die geleid hebben tot de Nagorno-Karabach-oorlog (1988-1994), het Oost-Prigorodny-conflict (1989-1991), de oorlog in Abchazië (1992-1993), de Eerste Tsjetsjeense Oorlog (1994–1996), de Tweede Tsjetsjeense Oorlog (1999–2009) en de Zuid-Ossetië-oorlog (2008). In de meeste plekken waar die conflicten woedden, is het momenteel rustiger, maar in geen enkel geval is het fundamentele geschil waarover men begon te schieten echt opgelost. Het suddert.

Mannen in de Kaukasus gaan bovendien gebukt onder een loodzwaar rechtvaardigheidsgevoel. Het is hen bezorgd door de Russen de jongste eeuwen, die de regio onder verschillende regimes – zowel het tsaristische als het communistische – onderdrukt hebben. De polarisering tussen de islamitische wereld (de Russische kant van de Kaukasus) en de christelijke (de zuidkant) heeft de zaak alleen maar verergerd. Het is niet zomaar dat mannen uit de Kaukasus de voorbije twintig jaar steevast opdoken bij de elite van het globale jihadisme. Islamitische Staat had tijdens zijn hoogtepunt vier Kists (een Tsjetsjeense etnische groep in Georgië) als belangrijkste militaire commandanten.

Het is een vergissing te denken dat het extreme zich alleen aan islamitische kant bevindt. Dit jaar liet de Georgische regering – en dit is geen grap – bij wet vastleggen dat Georgia gesticht werd door de maagd Maria. In de wettekst wordt een passage in middeleeuwse schrijfsels aangehaald om dat te rechtvaardigen. Hoe snel Georgië ook aan het moderniseren is, de kloof tussen Kerk en Staat is er steeds kleiner aan het worden.

De Sakartvelos Mkhedrioni (‘de ridders van Georgië’), een groep paramilitaire christen-orthodoxen, is verantwoordelijk voor wellicht 7.000 doden in de nasleep van Georgiës onafhankelijkheid van de Sovjet-Unie. De organisatie werd verboden, maar, dat zal elke Georgiër je vertellen, ze ging nooit echt weg.

De Kaukasus is een kruispunt tussen culturen, religies en talen.

Voeg aan de mix nog een ingebakken – en wellicht terechte – angst van de Georgiërs om opnieuw door de Russen bezet te worden. Het is de reden waarom je in Georgië doorgaans drie vlaggen ziet hangen: naast het eigen rode kruis op een witte achtergrond, die van de Europese Unie en de NAVO. Die twee laatste zijn voorlopig nog wishful thinking, maar de Georgiërs zouden vurig lid van beide willen worden.

Christen / orthodox / moslim / jood (of iets daartussenin)

Het fundamentele probleem met de Kaukasus is dat het sinds mensenheugenis een kruispunt van culturen, religies en talen is. Daarnaast ligt de regio op de grens tussen grote mogendheden of hun invloedssferen. Het heeft geleid tot de huidige ingewikkelde staatkundige situatie en in de loop van de geschiedenis herhaaldelijk tot al dan niet gewapende conflicten.

Grote mogendheden zoals de Sovjet-Unie, het Ottomaanse Rijk, het Perzische Rijk, het Romeinse Rijk en de oude Grieken, hebben allemaal geprobeerd om de Kaukasus te besturen en in hun invloedssfeer te brengen. Dat lukte meestal maar zeer gedeeltelijk en verschillende volkeren hebben hun identiteit grotendeels weten te behouden.

Je hebt om te beginnen de “puur” christelijke volkeren, albeit met hun eigen varianten: de Uden en de Armeniërs (Armeens-apolistisch), de Georgiërs (Georgisch-orthodox), de Pontische Grieken (Grieks-orthodox) plus de etnische (ingeweken) Russen en Terek-Kozakken (beide Russisch-ortodox).

Daarnaast heb je etnische groepen waar zowel christenen als moslims zijn: de Abchazen (christelijk-orthodox en soennitisch), de Lazen (Georgisch-orthodox en soennitisch) en de Osseten (Russisch-orthodox en soennitisch).

Dan zijn er de uitsluitend tot de islam behorende volkeren, de meeste daarvan soennitisch, namelijk: de Balkaren, de Karatsjaïers, de Koemukken, de Nogai, de Turkmenen, Koerden, de Taten, de Batsbi, de Ingoesjen, de Kist, de Tsjetsjenen, de Tsez, Tsachoeriërs, Tabasaranen, Roetoelen, Lezgiërs, de Laken, Dargiërs, Avaren, de Andi, de Agoeliërs, de Kabarden, de Tsjerkessen, Adygeërs en de Abazanen.

Die komen uiteraard niet overeen met de Sjiietische volkeren, waar er maar twee van zijn, maar ze zijn wél met veel: de meer dan 8 miljoen Azerbeidjanen en de Talisj. 

O ja, en dan heb je nog de Bergjoden, de plusminus 30.000 Joden die verspreid leven in de oostelijke en noordelijke Kaukasus (Azerbeidzjan, Tsjetsjenië, Dagestan en Ingoesjetië). Ze stammen af van Perzische Joden uit Iran.

Bovendien spreken al ongeveer al die volkeren een eigen taal, en als het dialecten waren van één moedertaal zou dat nogal meevallen, maar helaas, dat is dus niet het geval. Behalve de Noord- en Zuid-Kaukasische talen worden er ook Turkse talen, Iraanse talen, Slavische talen, Grieks en Armeens gesproken. ‘Ingewikkeld’ is dus een eufemisme als het gaat om de Kaukasus.