Het einde van corona? Wat ebola en co ons leerden

Er worden steeds meer coronavirusinfecties in ons land en in de wereld gediagnosticeerd, dus we zijn nog niet af van COVID-19. Maar hoe zal de uitbraak van het coronavirus eindigen? Niemand weet het zeker, maar epidemiologen zeggen dat er aanwijzingen zijn voor soortgelijke uitbraken. We overlopen even de scenario’s die volgens hen het meest waarschijnlijk zijn. En waarom het identificeren van het dier dat ons met COVID-19 besmette zo belangrijk is.

De wereld panikeerde toen in 2002 het ernstige acute ademhalingssyndroom (SARS) uitbrak in Azië. SARS had een sterftecijfer van ongeveer 10 procent (bij COVID-19 is dat 2,3 procent) en geen medicijnen die effectief bleken te zijn. Maar het werd binnen enkele maanden onder controle gebracht en grotendeels tenietgedaan door internationale samenwerking en strikte, old-school volksgezondheidsmaatregelen zoals isolatie, quarantaine en contact traceren.

Dat zou ook voor COVID-19 de ideale uitkomst zijn. Maar het grote verschil is dat wie SARS opliep ernstigere symptomen had dan die de meesten vertonen bij het huidige coronavirus, en dat mensen dus kort na een infectie met SARS zich sneller bij het ziekenhuis aanmeldden. Gevallen van coronavirus zullen moeilijker te detecteren en te isoleren zijn omdat veel mensen met milde symptomen niet weten dat ze zijn geïnfecteerd.

De lessen die getrokken moeten worden uit Ebola

Hoe het COVID-19 zal vergaan, is voor een groot stuk afhankelijk van hoe het coronavirus in minder ontwikkelde landen zal toeslaan. Een van de lessen uit de ebola-uitbraak 2014-2016 in West-Afrika is hoe een epidemie kan groeien wanneer het landen treft met zwakke gezondheidsinfrastructuren. In vergelijking met het coronavirus was Ebola minder besmettelijk en werd het voornamelijk overgedragen door lichaamssappen. Het coronavirus wordt overgedragen via druppelinfectie: door niezen en hoesten en mogelijk via besmette oppervlakken.

‘Dit is een reality check voor elke overheid op de planeet: Word wakker. Maak je klaar. Dit virus is onderweg, en je moet er klaar voor zijn’

Desalniettemin infecteerde Ebola meer dan 28.000 mensen en veroorzaakte meer dan 11.000 doden. Ebola is weliswaar dodelijker dan COVID-19 maar tekorten aan personeel en voorraden, armoede, vertragingen door leiders en wantrouwen tegenover de overheid hebben de uitbraak verergerd. Het blijken vooral die laatste dingen te zijn die de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) zorgen baren en waarom de WHO vrijdag haar beoordeling van coronavirus naar het hoogste niveau heeft gebracht. ‘Dit is een reality check voor elke overheid op de planeet: Word wakker. Maak je klaar. Dit virus is onderweg, en je moet er klaar voor zijn’, zei Michael Ryan, WHO-directeur van noodsituaties op gezondheidsgebied.

Michael Ryan, het hoofd van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) tijdens een persconferentie in Genève, Zwitserland, in 2019. Foto: Martial Trezzini/Keystone via AP

H1N1

Steeds meer virologen gaan echter uit van een scenario dat COVID-19 zich zal ontpoppen tot een nieuwe H1N1, toen ook wel de Mexicaanse griep genoemd. In 2009 verspreidde H1N1 zich snel, uiteindelijk tot naar schatting 11 tot 21 procent van de wereldbevolking. De WHO verklaarde het een pandemie, en er was wijdverbreide angst. Maar H1N1 bleek milder te zijn dan aanvankelijk werd gevreesd en veroorzaakte bij de meeste mensen weinig meer dan loopneuzen en hoest. En H1N1 is nu zo alledaags dat het gewoon wordt gezien als een onderdeel van de seizoensgebonden griepjes die elk jaar over de hele wereld komen en gaan.

Vroege schattingen van het sterftecijfer voor H1N1 waren ook veel hoger dan de ruwweg 0,01 tot 0,03 procent die het bleek te zijn. De Mexicaanse griep veroorzaakte wereldwijd in 2009 en 2010 uiteindelijk 18.500 in het laboratorium bevestigde sterfgevallen en naar schatting 151.700 tot 575.400 niet bevestigde sterfgevallen. Het werkelijke aantal is moeilijk vast te stellen, omdat velen die stierven aan griepgerelateerde oorzaken niet werden getest om te zien of het H1N1 of een andere griepstam was.

Als context: wereldwijd wordt jaarlijks 5 tot 10 procent van de populatie geïnfecteerd met de ‘gewone’ seizoensgriep. Bij kinderen is dat percentage nog hoger, namelijk 20 tot 30 procent. Hiervan vertoont de meerderheid geen ernstig ziektebeeld of verloopt de ziekte zelfs asymptomatisch. Toch veroorzaakt de griep jaarlijks 3 tot 5 miljoen ernstige zieken en 250.000 tot 500.000 doden. Tijdens een gemiddelde griepepidemie in de winter zullen er in België 250 tot 2.000 personen direct aan de griep of aan de gevolgen ervan sterven. Het schommelt enorm van jaar tot jaar. De slachtoffers vallen vooral in de risicogroepen zoals ouderen (circa 90 procent van de sterfgevallen is 65 jaar of ouder) of personen met een chronische aandoening.

Spaanse griep?

H1N1 is volgens epidemiologen een bijzonder goed virus om COVID-19 mee te vergelijken want hoewel het een lager sterftecijfer had dan SARS of MERS, was het dodelijker vanwege hoe besmettelijk en wijdverbreid het werd. Een ander virus dat in aanmerking komt om mee te vergelijken zou de Spaanse griep uit 1918 kunnen zijn, die een sterftecijfer van 2,5 procent had, en dat is griezelig dicht bij wat geschat wordt momenteel voor het coronavirus.

Politieagenten in de Amerikaanse stad Seattle dragen maskers gemaakt door het Rode Kruis om zich te beschermen tegen de Spaanse griep, december 1918.

De Spaanse griep wordt omschreven als ‘het dodelijkste pandemische griepvirus in de menselijke geschiedenis’, omdat het ongeveer een derde van de wereldbevolking infecteerde en naar schatting wereldwijd 50 miljoen mensen doodde. Maar de Spaanse griep was dodelijk voor jong en oud, terwijl coronavirus het meest dodelijk is gebleken voor ouderen en jongeren relatief ongeschonden laat. Er is nog iets dat de vergelijking doet wankelen: de wereld was in 1918 heel anders. We hadden toen niet de tools om ziekten te diagnosticeren zoals nu, laat staan antibiotica om secundaire infecties te bestrijden. Ziekenhuizen waren toen plaatsen waar je naartoe ging om te sterven, niet om een ​​behandeling te krijgen. En in 1918 was de wereld in oorlog. En veel van de geïnfecteerde mensen waren soldaten die de Spaanse griep van de loopgraven verspreidden naar de rest van de wereld toen ze werden gedemobiliseerd.

‘Er is op dit moment geen reden om te denken dat dit virus anders zou werken in verschillende klimaatinstellingen. We zullen moeten zien wat er gebeurt naarmate dit vordert’

Waar alle epidemiologen het over eens zijn is dat het aantal mensen dat uiteindelijk sterft aan het coronavirus afhangt van hoe breed het zich verspreidt, hoe voorbereid we zijn en wat het werkelijke sterftecijfer van het virus zal blijken te zijn. Als het coronavirus inderdaad alomtegenwoordig wordt zoals H1N1, is het cruciaal om een ​​vaccin te ontwikkelen. Na de uitbraak van 2009 ontwikkelden experts een H1N1-vaccin dat werd opgenomen in griepprikken die mensen in de daaropvolgende jaren ontvingen. Dat hielp bij het beschermen van bijzonder kwetsbare populaties tijdens de volgende infectiegolven. In de nabije toekomst kunnen antivirale medicijnen helpen en laboratoria over de hele wereld testen momenteel hun effectiviteit tegen het coronavirus.

Het beest dat moet worden gevonden

Niemand weet op dit moment of het coronavirus wordt beïnvloed door seizoenen, zoals de griep, ondanks het feit dat daar in de media fel op gealludeerd wordt. Volgens epidemioloog Maria Van Kerkhove is er ‘op dit moment geen reden om te denken dat dit virus anders zou werken in verschillende klimaatinstellingen. We zullen moeten zien wat er gebeurt naarmate dit vordert.’

Van Kerkhove is Head of the Outbreak Investigation Task Force aan het gerenommeerde Pasteur-instituut en één van ‘s werelds meest ervaren epidemiologen met een sterke praktijkervaring in uitbraken van besmettelijke ziekten in Azië, Noord-, Midden- en Zuid-Amerika, het Midden-Oosten en Afrika. Ze is experte in onder andere zoönosesvirussen, ademhalingsvirussen en virussen zoals Ebola en Marburg. Ze geldt als dé referentie voor Middle East respiratory syndrome coronavirus (MERS-CoV).

Coronavirussen zijn zoönotisch, wat betekent dat ze zich verspreiden van dieren naar mensen. Experts geloven dat SARS zich verspreidde van vleermuizen via civet-katten op mensen. Het dodelijke MERS, dat toesloeg in 2012, werd waarschijnlijk overgedragen van vleermuizen naar kamelen op mensen. Met het coronavirus weet niemand welke dieren de huidige uitbraak hebben veroorzaakt.

Een illustratie van COVID-19 gemaakt door de de Amerikaanse Centers for Disease Control and Prevention (CDC). Foto: CDC

Een hoofdverdachte is een bedreigd wezen, de pangolin of schubdier, dat eruit ziet als een kruising tussen een miereneter en een gordeldier en waarvan de schubben illegaal worden verhandeld. Drie weken geleden stelden Chinese wetenschappers op basis van genetische analyses voor dat de pangolin de hoofdverdachte was. Maar wetenschappers hebben die gegevens nu onderzocht – samen met drie andere pangolin coronavirus-genoomstudies die vorige week zijn vrijgegeven – en zeggen dat hoewel het dier nog steeds een mededinger is, het mysterie verre van opgelost is.

Tot nu toe is de dichtstbijzijnde match met het menselijke coronavirus gevonden in een vleermuis in de Chinese provincie Yunnan. Een studie gepubliceerd op 3 februari toonde aan dat het vleermuiscoronavirus 96 procent van zijn genetisch materiaal deelde met het virus dat COVID-19 veroorzaakt. De studie suggereert dat het specifieke vleermuiscoronavirus niet direct mensen heeft geïnfecteerd, maar het via een tussenliggende gastheer bij mensen is geraakt.

Wie die tussenliggende gastheer was, weten we dus niet. En dat is echt wel essentieel. Het is een mysterie dat wetenschappers moeten oplossen om te voorkomen dat de besmetting zich in de toekomst herhaalt.