De perfecte atleet: gezocht én gevonden

Peter Hespel KU Leuven
KU Leuven/Rob Stevens

Wie de huidige topsporters over de velden of pistes ziet racen, kan zich afvragen of het ooit nog beter wordt. Komen er ooit nog snellere, sterkere … kortom, betere atleten? Lang hoeft Peter Hespel er niet over na te denken. De professor inspanningsfysiologie aan de KU Leuven en scientific director van de gerenommeerde Bakala Academy begeleidde al het Belgische olympisch team, de vroegere Etixx-Quickstep-wielerploeg, triatleet Frederik Van Lierde en zowel de 4x400m-ploeg als de individuele Borlée-atleten. ‘De betere versie van Usain Bolt, die loopt rond op deze wereld.’ Het kan dus wel degelijk, de perfectie is nog (lang) niet bereikt. Maar de vraag is wat we daaronder moeten verstaan. Wat is ‘de perfecte atleet’?

De ramp van de tienkamp

Bestaat er misschien zoiets als een atleet die zulke fysieke capaciteiten heeft dat hij in alle sporten zou kunnen uitblinken? Ook daar heeft professor Hespel zijn antwoord al snel klaar: ‘Nee.’

‘Specialisatie is het codewoord. Je kunt niet tegelijk sprinter en marathonloper zijn’

‘Het enige model van atleet dat in aanmerking zou kunnen komen, is dat van de vrouwelijke zevenkamper of mannelijke tienkamper. Maar zelfs die atleten zijn bijzonder gelimiteerd. De zeven- of tienkamp bestaat dan ook voornamelijk uit explosieve nummers. Verspringen, hoogspringen, sprinten, hordelopen, kogelstoten, speerwerpen. En op het einde wordt er dan nog eens 1500 meter gelopen bij de mannen en 800 meter bij de vrouwen. Dat is een ramp.’

Wie de meerkampers af en toe aan het werk ziet, heeft het zelf vaak al door. Die afsluitende 1500 of 800 meter is er eigenlijk een beetje te veel aan. Niet alleen omdat de atleten helemaal afgemat zijn na een helletocht door de verschillende disciplines, maar omdat hun lichaam er eigenlijk niet voor gemaakt is. ‘Genetisch zijn ze niet geschikt om duurinspanningen te leveren’, legt Hespel uit. ‘Dus sowieso is het onmogelijk om een atleet te hebben die uitblinkt in zowel uithouding, snelheid als kracht, omdat die elkaar gewoon tegenwerken.’

zevenkamp hoogspringen Nafi Thiam
Olympisch, Europees en wereldkampioene zevenkamp Nafi Thiam. – GettyImages

‘Specialisatie is dus het codewoord. Je kunt niet tegelijk sprinter en marathonloper zijn’, zo geeft Hespel aan. ‘En die specialisatie gaat ver. 100-meterlopers kunnen dan wel uitblinken in de 200 meter, maar ook nog eens wereldtop zijn in de 400 meter, dat is uitgesloten. Usain Bolt bijvoorbeeld, die was perfect in staat om de 100 en 200 meter te lopen. En misschien had hij ook ooit wel een wereldrecord kunnen lopen in de 400 meter, maar daarvoor had hij moeten trainen op een manier die hem trager had gemaakt in de pure sprint in de 100 meter. Want dan had hij zoveel moeten trainen op wat wij anaerobe capaciteit of weerstand noemen dat zijn pure explosieve snelheid afgestompt was geraakt. Dat zijn de keuzes die je in de context van topsport moet maken.’

Combinaties maken in topsport is verleden tijd. ‘Vroeger had je atleten die in de atletiek de 800 en 1500 meter liepen, en soms konden ze dan ook nog in de 3000 de wereldtop halen. Neem de tijd van Miel Puttemans. De 3000, 5000, 10.000 meter … hij was in bijna alles wereldrecordhouder. Maar dat gaat niet meer, omdat door de doorgedreven specialisatie het niveau zo hoog is dat je moet kiezen.

Mossel noch vis

Laten we even een gedachte-experiment doen. Mocht je een atleet moeten samenstellen, maar je weet niet voor welke sport, wat voor soort atleet zou je dan ‘bouwen’? Het idee is dat je ‘sluier-van-onwetendheidsgewijs’ zou uitkomen bij een soort ultieme atleet zonder zwakke plekken, een atleet die in elke sport even goed zou kunnen zijn. Professor Hespel: ‘Het probleem is daar dat je alleen al op het vlak van spiervezelsamenstelling een keuze moet maken.’

‘We doen heel vaak spierbiopten bij studenten bewegingswetenschappen en kinesitherapie en bepalen dan de spiervezeltypes. De meeste mensen zijn noch mossel noch vis. Het is fiftyfifty. Maar daar kun je niets mee doen in topsport. Als je vijftig procent trage vezels en vijftig procent snelle vezels hebt, dan ben je noch goed genoeg om de wereldtop marathon, noch om de wereldtop sprint te zijn. Het is enorm complex.’

Usain Bolt
GettyImages

Raar genoeg kom je in zo’n experiment waarschijnlijk bij een doordeweekse persoon uit, van wie je dus ook niet al te veel kunt verwachten. ‘Volgens mij zou de gemiddelde mens daar het best geschikt voor zijn met een zeer gevarieerde training – want hij zal van alles moeten trainen. Maar dan nog zal hij in al die sportdisciplines ergens mister nobody zijn, die zich niet eens kan kwalificeren voor om het even welk nationaal kampioenschap.’

Maar het idee an sich is niet zo gek. In de jaren twintig, en zelfs nog veel later, werden atleten net om die reden geselecteerd: de ‘gemiddeldheid’ van hun fysieke eigenschappen maakte hen heel kneedbaar. Professor Hespel: ‘Wat deed men in de jaren twintig? De trainingsmethodologie stond nog niet zo op punt en er waren nog minder sportdisciplines op de Olympische Spelen. Men zocht toen eigenlijk naar polyvalente atleten die een bee tje van alles konden en in verschillende disciplines medailles konden pakken in de atletiek. Toen was het nog standaard dat als je de gouden medaille pakte in het verspringen, je die dan ook in de 100 meter sprint pakte. Ook dat is uitgesloten vandaag. Jesse Owens heeft ook de 200 meter gepakt, denk ik. 100 meter, 200 meter, verspringen … Dat kan nu niet meer.’

Genen zijn alles

Genen zijn het ultieme vertrekpunt. Ze bepalen alles, als het op sport aankomt. ‘In het basketbal kun je een ongelooflijke oog-handcoördinatie en balvaardigheid hebben. En uithouding en waarnemings-, perceptie- en reactievermogen. Je kunt potentieel de beste basketballer ter wereld zijn, maar je bent maar 1 meter 70. Forget it, hè. Dus als de genen niet goed zitten …’

Eliud Kipchoge marathon
Huidig olympisch kampioen en wereldrecordhouder in de marathon, Eliud Kipchoge. – GettyImages

Maar die genen kunnen er natuurlijk ook voor zorgen dat je net perfect gemaakt bent om een bepaalde sport uit te oefenen, dat je dus een ‘perfecte atleet’ kunt worden. Want die perfecte atleet, dé ideale atleet voor één discipline, die bestaat zeker. ‘De prestatiebepalende factoren in de zeer populaire sportdisciplines zijn welbekend. Mocht je mij vragen om het portret te maken van de marathonloper die bij zijn eerstvolgende poging een marathon loopt onder de twee uur? No problem. En ik denk dat ook Andrew Jones, die bezig is met Eliud Kipchoge (huidig olympisch kampioen en wereldrecordhouder in de marathon, red.), net hetzelfde profiel zou tekenen als ik.’

Dat de ideale marathonloper een grote atleet is, dat staat buiten kijf. Met lange benen en een korte romp. Maar daar houdt het uiteraard niet op: ‘De pompcapaciteit van het hart, die verantwoordelijk is voor de VO2max, de elasticiteit van de spieren, gevoeligheid voor hoogte en aerodynamica spelen ook een rol. Het is een vrij lange lijst. Dat heeft ook te maken met maag en darmen, veel suikers kunnen innemen tijdens een inspanning zonder diarree en maagkrampen te krijgen, enzovoort enzovoort.’

Freak of nature

Is de snelste man op aarde, Usain Bolt, dan ook de perfecte 100-meterloper? ‘Ik denk dat er in het geval van een 100-metersprint wel verschillende modellen uit te werken zijn, omdat daar bijvoorbeeld ook aerodynamica een rol speelt.’

Usain Bolt
GettyImages

Met zijn 1 meter 95 was Usain Bolt groter dan zijn concurrenten. Dat gaf hem een heel groot voordeel. Zo zette hij tijdens zijn recordloop in Berlijn, op 16 augustus 2009, amper 41 passen, zo’n 4 passen minder dan zijn grootste concurrenten. Maar zijn grootte was in verschillende aspecten ook een nadeel. ‘Het gaat vooral over wat wij de power-to-weight ratio noemen: over hoeveel vermogen je kunt produceren in verhouding tot je lichaamsgewicht’, verklaart professor Hespel. ‘En daar was Usain Bolt gewoon de beste in. Door de power-output die hij met zijn lichaam, en vooral zijn benen, kon genereren. Omwille van zijn grotere gestalte was zijn lichaamsgewicht dan wel iets hoger dan zijn concurrenten. Maar die verhouding, kracht tegenover gewicht, was nog altijd beter dan zijn grootste concurrenten.’

‘Als men een tekening zou maken van de ideale atleet wat betreft aerodynamica, powergenererend vermogen, lichaamsgewicht, startactie en techniek, elasticiteit van de spieren, snelle spiervezels … dan denk ik dat daar verschillende modellen voor mogelijk zijn, maar het zullen altijd grote atleten zijn’, meent Hespel. ‘Het zullen altijd wel mannen zijn van richting 1 meter 90, denk ik.’ De grootte van Bolt is dus een van die aangeboren eigenschappen die hem tot de snelste man ter wereld gemaakt hebben en hem in een categorie gebracht hebben van beste atleten aller tijden. Daar krijgt Bolt het gezelschap van onder anderen Michael Phelps, de beste zwemmer ooit. Phelps is op zijn beurt dan ook een freak of nature.

‘Michael Phelps is zeer groot, met gigantische voeten, en ook nog eens knieën die kunnen overstrekken, zodat hij eigenlijk zijn benen kan gebruiken zoals de staart van een vis’, legt professor Hespel uit. ‘En als je die lichaamsstructuur hebt, bovendien met een fysiologie die ook zeer atletisch is, dan ben je bevoordeeld, zowel op het vlak van hydraulica en stuwvermogen, als op het vlak van fysiologie.’ Dat stelde Phelps niet alleen in staat om de beste zwemmer ooit te worden, maar ook om te domineren in zowat elke categorie. ‘Dan kun je niet alleen domineren in de pure sprint, de 50 meter, maar ook in de 100 en de 200 meter. En als het een beetje meevalt ook in de 400 meter. In de 1500 meter zal hij nooit een medaille gehaald hebben.’

Michael Phelps
Michael Phelps, de beste zwemmer ooit. – GettyImages

Phelps had dus geen behoefte aan doorgedreven specialisatie: ‘Hij was zo begenadigd qua talent, fysiologisch en qua structuur, dat hij het zich kon permitteren om de verschillende nummers te doen. Maar zo zijn er niet veel.’ The Baltimore Bullet was gewoon zó goed. Maar als hij zich gefocust had op één nummer en de rest had laten vallen, zou hij daar dan nóg beter in geweest zijn? Wel, het antwoord is een beetje akelig: ‘Zeer waarschijnlijk wel’, meent professor Hespel. ‘Want dat is eigenlijk wat onze Pieter Timmers ook meer en meer doet: vooral op die 50 en 100 meter sprint focussen om daarin de absolute wereldtop te blijven. Als hij nu nog op andere zwemstijlen zou beginnen te trainen, of meer zelfs, op langere afstanden, dan zou zijn pure snelheid afstompen. En dan zou het in zijn geval moeilijk zijn om nog een olympische medaille in de sprint te halen.’

Het beste moet nog komen

Als je naar atleten als Bolt en Phelps kijkt, kun je soms niet anders dan zeggen: beter dan dit wordt het niet. Maar dat is nonsens volgens professor Hespel. Meer nog: ‘De betere versie van Usain Bolt, die loopt rond op deze wereld, hè. Maar je moet natuurlijk ook in de juiste omgeving wonen opdat je talent zich kan manifesteren. En als het zich manifesteert, dat het ook gedetecteerd wordt.’

‘Wat als de ouders van Bolt hem naar de muziekschool gestuurd hadden in plaats van naar de atletiekclub?’

‘Om het in een andere sportdiscipline te gooien: heel Afrika zit vol met fantastische wielrenners. Maar ja … ze hebben geen fietsen, geen fatsoenlijke wegen om te trainen, en er is geen fietscultuur. Maar als heel dat continent gerekruteerd zou kunnen worden voor wielrennen en als we daar talentdetectie gaan toepassen, dan zit het peloton binnen tien jaar ook vol met Afrikaanse wereldtopwielrenners.’

‘Dus de nieuwe Usain Bolt, die loopt ergens rond. Maar dan moet je geboren worden in een land waar sprinten helemaal bovenaan de agenda staat en er heel veel interesse is. Je moet wonen in een gezin waar dat erin zit. Als je toevallig die Usain Bolt bent, maar je mama is operazangeres en je papa speelt viool, dan heb je pech, hè. Want die zullen je naar de muziekschool sturen in plaats van naar de atletiekclub.’

Dus er lopen wel degelijk atleten rond die beter zijn dan degenen die nu wereldrecords zetten, maar ze weten het eigenlijk zelf niet? ‘Dat is zeker zo’, is professor Hespel overtuigd. ‘Waarmee ik de huidige wereldrecordhouders niet wil denigreren, maar er lopen op de wereldbol zeker equivalenten rond en misschien zelfs atleten die beter zijn. Maar ja, om wereldtopatleet te zijn moet je het proces van talentdetectie tot talentontwikkeling natuurlijk helemaal doorlopen.’

Die talentdetectie heeft als bedoeling om mogelijke toptalenten zo vroeg mogelijk te ontdekken en ze zo snel mogelijk in de juiste richting te duwen. Maar, zo meent professor Hespel, dat proces kun je in de praktijk eigenlijk niet tot in de perfectie uitvoeren. ‘Een bijkomend element waar rekening mee gehouden moet worden, is natuurlijk ook de ethiek van de sport. Als je sport gaat bekijken als een proces waar je een beschikbaar genenpotentieel gaat gebruiken en misbruiken om dé absolute topatleet te maken, dan zitten we in een heel andere cultuur van denken.’

‘Als je gaat selecteren op genen en je stelt een ideaal trainingsproces samen om een wereldtopsprinter, -marathonloper of -gymnaste te creëren, zullen in de weg daarnaartoe 99 van de 100 atleten eraan kapotgaan. Omdat ze het fysiek niet aankunnen, omdat ze het mentaal niet aankunnen, omdat ze gekwetst raken, omdat ze het niet graag meer doen … Dus dat is niet iets wat je met je eigen kind zou willen zien gebeuren.’

NBA-ster Zion Williamson
Basketbalfenomeen en kersvers NBA-ster Zion Williamson. – GettyImages

A perfect storm

Een ‘nooit geziene atleet’ wordt hij genoemd, de nieuwe ster van de New Orleans Pelicans. Hij wordt door Mike Krzyzewski, zijn voormalige coach bij universiteitsploeg Duke, a perfect storm genoemd. Twee meter groot en 130 kilo, droog aan de haak. Indrukwekkend, maar wat Zion Williamson werkelijk one of a kind maakt, is de explosiviteit waarmee hij die kracht combineert. Zion liet zo een vertical jump optekenen van 45 inch, een slordige 114 centimeter.

‘Eigenlijk is niet geblesseerd raken het grootste talent dat een atleet kan hebben’

De enige die deze ‘ideale atleet’ nog lijkt te kunnen tegenhouden, is hijzelf. Houdt zijn lichaam die voortdurende impact wel vol? ‘Als je 130 kilo weegt en zo hoog springt, is de impact op die gewrichten natuurlijk gigantisch’, zegt professor Hespel. ‘Maar dat geldt voor elke persoon die 130 kilo weegt en springt. En iemand die veel talent heeft, zal dan toch minder snel gekwetst raken.’

Want blessuregevoeligheid afweren, ook dat is een talent. ‘Ik denk dat dat vandaag misschien wel een van de grootste talenten is … Als je dan toch gedetecteerd wordt voor een bepaalde sportdiscipline, is het belangrijk dat je heel veel zware training kunt verwerken zonder ziek of gekwetst te raken. Daar sneuvelen de meesten op. Want om de wereldtop te bereiken moet je heel wat uren hard kunnen trainen. Als je om de haverklap gekwetst bent, forget it.’

Niet alleen een lage blessuregevoeligheid is belangrijk, ook gewoon de wil om keer op keer je lichaam tot het uiterste te drijven. ‘Je mag niet vergeten dat als je jaren aan één stuk altijd dezelfde training doet, hetzelfde nummer, op dezelfde piste, in dezelfde zaal … dat kan gaan vervelen. Voetbal of tennis, dat is nog een spel. Daar zit heel veel interactie in. Maar op een piste en tijdens een marathon loop je eigenlijk altijd op jezelf. Ook in triatlon heb je die eenzaamheid. Mentaal is dat bijzonder zwaar.’

Mentale veerkracht

Usain Bolt
GettyImages

Usain Bolt was niet altijd het gevaar op de 100 meter zoals hij dat op de top van zijn carrière was. Een lange tijd was hij alleen gefocust op de 200 meter én de 400 meter. Maar die langere afstand lag hem minder en dus vroeg hij aan zijn coach Glen Mills of hij niet de 100 meter mocht proberen. Door zijn trage start en zijn gewoonte om achterom te kijken tijdens de race, vond Mills dat geen goed idee. Al gaf hij hem wel de kans: als Bolt erin slaagde om het Jamaicaanse record op de 200 meter te verbreken, mocht hij zich aan de 100 meter wagen. Uiteraard verpulverde hij dat record, en de 100 meter zou nooit meer hetzelfde zijn.

Maar hij had ondertussen dus heel wat jaren tijd ‘verspild’ aan het trainen op de 400 meter. Had hij dan nog beter kunnen zijn als hij van bij de start op de 100 meter gefocust had? ‘Puur theoretisch, ja’, bevestigt professor Hespel. ‘Maar hij zou het misschien nog veel vroeger beu geweest zijn.’ Dat later beginnen een voordeel kan zijn, zien we ook dichter bij huis. ‘De Borlées, die hebben gevoetbald tot hun zestiende. Ze zijn dan pas overgeschakeld naar de 400 meter. Dat verklaart misschien ook waarom ze momenteel de 400-meterlopers zijn met de langste carrière ter wereld. En misschien wel aller tijden.’