Bruce Springsteen 'Born to Run'

Bruce Springsteen: Over George Floyd, depressies en de wil om de allerbeste te zijn

Reeks rockbiografieën Deel 1: Bruce Springsteen ‘Born to run’ uit 2016

Bruce Springsteen - Born to Run

De autobiografie van ‘The Boss’ is een klepper van formaat en verdient dan ook om ettelijke redenen onze onverdeelde aandacht, niet alleen omdat het het leven vertelt van een van de meest iconische rocksterren van de laatste 50 jaar maar vooral ook om zijn nog altijd pertinente relevantie om Amerika, een blijvend referentieland voor ons Europeanen, beter te begrijpen.

Hijzelf heeft zijn boek verdeeld in zijn jeugdjaren waar hij bokste voor elk klein succesje, zijn meest succesvolle creatieve periode vanaf ‘Born To Run’ tot ‘Born in the USA’, en zijn leven als familiemens en gearriveerde gevierde rockster die stadions liet vollopen.

Wij opteerden om een indeling te maken volgens drie facetten van zijn rijke persoonlijkheid: zijn privéleven, waar angst én zelfvertrouwen kamergenoten zijn, zijn artiestenleven van volleerde stadionartiest tot geweldige songwriter en last but not least zijn status als icoon, als vertegenwoordiger in goede en slechte dagen van een Amerika dat wij Europeanen te weinig kennen en niet altijd begrijpen. 

Nog even dit. Verwacht van deze biografie geen sappige roddels of spitante anekdotes over andere muziekgrootheden. Enerzijds omdat Springsteen nooit drugs heeft gebruikt en zich verder nooit echt gedragen heeft als een rockster, anderzijds omdat het er wat op lijkt dat de Amerikaanse aanklaagcultuur hem hier belet. In de laatste zin van het boek stelt hij ‘Ik heb je niet ‘alles’ over mezelf verteld. Discretie en de gevoelens van anderen staan dat niet toe’. Het gebrek aan humor is een tweede gemis, wat een reflectie is van de wat verwrongen persoonlijkheid die Springsteen is, voor wie het leven eerder een last dan een lust is. 

Voor roddels en humor moet je bij de autobiografie van Elton John zijn, een ronduit hilarisch verslag vol van geweldige ‘over the top’ clichés die al onze vermoedens bevestigen, een kunstwerkje waar Monty Python fier op zou zijn. 

Facet 1 : Het Amerikaanse Icoon – Springsteen is Amerika tegen wil en dank

’41 shots. 41 shots. 41 shots. 41 shots … Is it a gun? Is it a knife? Is it a wallet? … You can get killed just for living your American skin.’

Dat zong Springsteen in de heilige rocktempel Madison Square Garden in New York in 1999 naar aanleiding van de moord op Amadou Diallo, een Afrikaanse immigrant, die werd aangehouden door politieagenten in burger. Toen hij zijn portefeuille bovenhaalde, werd hij afgemaakt met 41 schoten. Springsteen, zoals hij dit alleen kan met zijn wat geraspte volle stem, maakt hier een rauwe maar prachtige song die niemand onberoerd laat. Dit is geen éénzijdige aanklacht tegen de politie, er is ook begrip voor hun berouw: ‘You’re kneeling over his body in the vestibule. Praying for his life.

Springsteen werd vlak voor dit concert echter genadeloos aangevallen door een aantal Amerikaanse politiecommissarissen die hem opriepen om dit lied niet te zingen. De spanning was dan ook te snijden die avond en dit meesterwerk is hem lang blijven achtervolgen. Dit lied had voor de begrafenis van George Floyd in een aangepaste versie, zoals Elton John voor prinses Diana, het ultieme eerbetoon geweest.

En dat geeft die ambiguïteit aan én de relevantie van de zonder enige twijfel meest invloedrijke Amerikaanse soloartiest sinds Bob Dylan in de jaren 60. Amerika is niet alleen goed en alleen slecht. Wij simplifiëren graag en dikwijls: Republikeinen: slecht, Democraten: goed, blanken: slecht, zwarten: goed, Obama: goed, Bush: slecht, New York: goed, Minneapolis: slecht … of juist omgekeerd. 

Amerika is een veel gelaagdere maatschappij dan we hier durven toegeven en Springsteen is een verpersoonlijking van die complexiteit, een gevolg van een onverwerkte geschiedenis, een staatsstructuur waar de federale regering eigenlijk weinig in de pap heeft te brokken en waar elke staat dus anders kijkt naar rechten en plichten – de macht zit veel meer bij de gouverneurs (zoals bij ons de burgemeesters een veel belangrijkere rol spelen) – én krachtvelden waar de grootste tegenstellingen mogelijk zijn, van anti-abortuskruisridders tot de voorlopers van transgenderrechten.

‘Born in The USA’ uit 1984 maakt deze paradox nog veel duidelijker. Deze protestsong – soldatenblues noemt hij het zelf – combineert pessimistische coupletten met een optimistisch refrein, en is een weergave van twee tegengestelde gevoelens die je als Amerikaan hebt in het post-Vietnamtijdperk: enerzijds een kritische stem op de gang van zaken in het land en anderzijds een op het hart gedragen trots. Volgens Springsteen is het zijn slechtst begrepen song want ook hier kreeg hij de wind van voren.

Springsteen is dan ook een artiest, zoals John Mellencamp of Neil Young, waarvan veel fans afkomstig zijn uit de binnenbuik van de Verenigde Staten die het niet zo begrepen hebben op de naar hun mening vrijblijvende kritiek van de liberale elite uit de steden. Zij zijn fans van countrymuziek, met megasterren als Garth Brooks en Dolly Parton, maar ook van de unieke mix van blues, soul, R&B en rock van Springsteen. Dat maakt hem een relevante stem over de splijtzwammen die het land verdeelt. Hij heeft de geloofwaardigheid om Amerika met zijn eigen onvolkomenheden te confronteren.

Al zijn muziek is muziek over identiteit en een zoektocht naar betekenis en toekomst. ‘Wat betekent het om Amerikaan te zijn en wat zou het kunnen betekenen?’ zoals hij het zelf formuleert. Hij doet dit door in zijn teksten de afstand tussen de Amerikaanse werkelijkheid en de Amerikaanse droom in kaart te brengen. Het zijn meestal geen abstracte hoogdravende bedenkingen over geopolitieke belangen – die hij overigens zeer goed begrijpt, want hij is een geobsedeerde lezer – maar verhalen over de gevoelens en belevenissen van de gemiddelde Amerikaan die zijn of haar lot niet onder controle heeft. 

In het magistrale ‘Thunder Road’ laat hij Mary die haar hoop tegenslagen heeft gekend, zeggen: ‘Roy Orbison singing for the lonely / Hey that’s me and I want you only / Don’t turn me home again / I just can’t face myself alone again.

Of de stampende rollercoaster ‘Backstreets’ waar woede, ontgoocheling en wanhoop de gitaren en de tekst aanvuurt: ‘Remember all the movies, Terry, we’d go see / Trying to learn how to walk like heroes we thought we had to be / And after all this time to find we’re just like all the rest.

Deze teksten zijn vooral geïnspireerd door zijn jonge levensjaren in Freehold New Yersey, een slaperige arme buitenwijk, waar arbeiders trachten te overleven en regelmatig het slachtoffer zijn van een recessie én het sterk opkomende globalisme die ervoor zorgden dat lokale jobs delokaliseerden. De periode waarin hij opgroeide was ook het einde van die kortstondige onbezorgde periode na de Tweede Wereldoorlog – de jaren vijftig en begin jaren zestig – waarna de Kennedy’s, Martin Luther King en Malcolm X werden vermoord alsook de nooit eindigende Vietnam-oorlog plaatsvond. Hij beleefde dit echter niet als hippie, die de heilige pelgrimstocht naar Californië maakte – hij ging er twee keer naar toe en werd daar afgepoeierd als niet goed genoeg – maar als een artiest die in zijn eigen leefomgeving bleef om deze sociale omwentelingen een plaats te geven in zijn muziek.

Zoals Bono het zo krachtig zegt: ‘Als ik denk aan Amerika, dan denk ik niet aan een land maar dan denk ik aan een idee, en dan komt Bruce Springsteen spontaan bij me op.’

Facet 2 : De artiest in Springsteen – van volleerde singer-songwriter tot buitengewone stadionmuzikant

Om Springsteen als artiest te kunnen plaatsen in de geschiedenis van de rock, die grofweg van Elvis Presley tot U2 liep, zijn de twee volgende revoluties essentieel om te begrijpen.

Springsteen werd groot in de – overigens zeer korte – tijd dat albums de scepter zwaaiden. Tot ‘Sergeant Peppers Lonely Heart Club’s Band’ uitkwam in 1967, waren de 78 toeren singles de referentie voor alle na-oorlogse artiesten. Little Richard of zelfs Bob Dylan startten hun opnamesessies niet met het idee om een volledig afgerond verhaal te bouwen maar eerder liedjes te componeren die op zichzelf stonden. Toen De Beatles hun zoveelste meesterwerk afleverden – maar dit maal een concept album in plaats van een reeks onweerstaanbare singles -, werd het album de gouden standaard van succes. Je moest niet zo nodig een nummer-één scoren maar een totaalverhaal brengen. 

In de meest productieve en volgens insiders beste periode van de rockgeschiedenis die duurde tot de begin jaren tachtig werd de ‘LP ‘de norm en konden artiesten als David Bowie, Queen, Pink Floyd, Billy Joel, The Who en Meatloaf, nieuwe artistieke paden bewandelen. Zij durfden muzikaal én tekstueel experimenteren zolang de plaat geen los zand was. Springsteen is een zoon van die beweging en de artiest ‘par excellence’ die albums maakte die een logisch geheel vormden, deels omdat hij het verstand en de gave ervoor had, deels omdat deze aanpak bij zijn filosofie past. Hij is geen artiest die alleen wil vermaken, hij wil zijn publiek ook raken en een boodschap aan hen kwijt. 

Bruce Springsteen

Daarom is het belangrijk om zijn muziek te beluisteren, niet als een aaneenschakeling van hits maar vanuit de kracht van elk album. De meeste Springsteen-kenners verwijzen je naar het kwartet ‘Born to Run’, ‘Darkness on the Edge of Town’, ‘The River’, ‘Nebraska’ als zijn meest productieve periode. Hij was nog niet op het toppunt van zijn roem – ‘Born in the USA’ zou daarvoor zorgen – maar in deze albums vertolkt hij de gedachten van ‘Middle America’ waar hoop en ontgoocheling met elkaar botsen. Deze biografie legt van naaldje tot draadje uit hoe elk album is ontstaan en hoe elk nummer zijn betekenis heeft. Deze eigen, soms kritische, analyse van zijn eigen discografie is het hart van deze biografie en is uitgespreid over ettelijke pagina’s per album.

Verder maakt Springsteen deel uit van de zogenaamde ‘derde golf van rockartiesten’ – zo beschrijft hij het zelf althans en is hij dan ook een zoon van de meesters van die eerste twee golven. 

En tweemaal was het Ed Sullivan, de meest bekende talkshow gast van zijn generatie op de Amerikaanse televisie die hem op het juiste pad gidste en hem aanzette om de gitaar op te pakken. De eerste keer was in 1956 toen hij Elvis Presley zag optreden, waardoor hij voor de eerste keer het licht zag op weg naar een toekomst. Elvis was de voorman van die eerste golf met pioniers zoals Little Richard, Bill Haley, Muddy Waters en Chuck Berry. Hij was toen nog maar zes jaar oud toen hij willens nillens zijn moeder overtuigde om een gitaar te kopen die hij uit frustratie terugverkocht aan de winkel omdat hij het nog niet kon bemeesteren. Hij had wel bloed geroken.

De tweede aha-erlebnis was het eerste optreden van The Beatles op tv in 1963 bij diezelfde Ed Sullivan – op dat moment de ceremoniemeester van de Amerikaanse cultuur. Zij waren de voorhoede van de tsunami van Engelse rockgroepen, zoals de The Stones, The Animals, The Yardbirds, The Kinks, Eric Clapton. De tweede keer liet muziek hem niet meer los, kocht hij opnieuw een gitaar en zou nooit meer stoppen met muziek te spelen. 

Springsteen – zoals alle grote artiesten absorbeerde al deze rock ‘n roll invloeden als een spons – en aangevuld met de invloeden van de meesters van de soul, R&B en jazz ontwikkelde hij de unieke ‘Springsteen-sound’ waar de saxofoon van Clemons de hoeksteen was.

Het is een cliché maar Bruce Springsteen is natuurlijk meer dan hemzelf. De zorgvuldig gekozen én gedisciplineerde E-Street Band bestaat uit een groep artiesten van uitzonderlijke niveau met Steve Van Zandt en Clarence Clemons, als saxofonist waar hij in deze bio heel veel bewondering voor opbrengt. Patti Scialfa, zijn laatste vrouw, kwam er later bij en krijgt ook 10 op 10 van ‘The Boss’.

Heel goede songwriters zijn meestal intieme introverte persoonlijkheden zoals Jackson Browne, Cat Stevens, Donovan, Jim Croce of Bob Dylan. Artiesten die aanleg hebben om stadions te bespelen zijn meestal extraverte persoonlijkheden – ik moet er geen tekening bijmaken dat Mick Jagger, Axl Rose en Freddy Mercury tot die categorie behoren. 

Springsteen heeft voor zichzelf een stijl ontwikkeld – inclusief lange soms langdradige inleidingen – waardoor hij er in beide omgevingen in slaagt om het publiek mee te nemen in zijn eigen verhaal. Springsteen kan akoestisch in een kleine zaal even goed gensters slaan als in een afgeladen vol voetbalstadion – of voor honderdzestig duizend uitzinnig geworden Oost-Duitse fans vlak voor de val van de Berlijnse muur – en is misschien zelfs de enige artiest die die spreidstand geloofwaardig kan waarmaken. Hoe uitzonderlijk The Stones, Queen en U2 ook waren of zijn en hoe meesterlijk zij een arena bespeelden – je ziet hen niet in een theaterzaal alleen een show dragen zoals Springsteen recent deed in zijn theatershow in Broadway waar hij voor 960 mensen per avond – hij vulde er 236 (reken maar uit: het gaat om bijna 225.000 bezoekers!) – over zijn leven vertelt en liedjes speelt zoals enkel topcabaretiers konden als Toon Hermans of Herman Van Veen.

Bruce Springsteen

Hij heeft dit unieke talent om van elke show een verhaal te maken, dat elke keer anders is. Het is wel gerepeteerd maar het lijkt allemaal geïmproviseerd en dat maakt elke concert heel persoonlijk en heel intiem. Je voelt je evengoed een gepriviligieerde kijker in een kleine concertzaal als in een rocktempel.

Zelf zegt hij erover: ‘Ik heb mezelf en mijn band veertig jaar lang tot de rand en erover gedreven. Het is iedere avond een levensvullend, geestverruimend, uitputtend … catharsisch genoegen en voorrecht. Je kunt over je ellende zingen, over de ellende van de hele wereld, maar er zit iets in de samenkomst der zielen dat de blues verdrijft.’

Er is ook een psychologische kant aan dit talent. Zijn pure allesverslindende energie die hij tentoonspreidt, is een uitlaatklep, een vorm van therapie. Hij noemt het zelf ‘a one night stand’ waar hij kan vluchten en zich onthechten van de donkere reële wereld, waar hij regelmatig depressief is. Hij verwijst in zijn boek ook naar een quote van Robert De Niro die, toen ze hem vroegen waarom hij zo graag toneel speelde, stelde dat ‘er niets heerlijkers is om andermans leven te kunnen leiden zonder gevolgen’.

Facet 3: de Topatleet Bruce Springsteen met een manisch depressief kantje 

Zeg nu zelf: Wie haalt het in zijn hoofd om ‘nee’ te zeggen, als je nog ongetrouwd en succesvol bent, tegen een uitnodiging voor een avondje uit in de beruchte Playboy Mansion? Het zegt alles over hoe Springsteen kijkt naar het leven en wat er nodig is om de beste artiest in de wereld te worden.

Deze anekdote is belangrijk omdat Springsteen alle kenmerken heeft van een topatleet. Hij gaat om met rock zoals Federer of Woods omgaan met hun sport. Hij is ernstig, heeft nooit drugs genomen en was niet geïnteresseerd in een relatie tot zijn 21ste. Hij durft zichzelf in vraag stellen om beter te worden. Zijn twee mislukte reizen naar Californië waar hij geen plaats kreeg in het concertcircuit hebben hem nog vastberadener gemaakt en overtuigden hem om nog harder te werken. 

Springsteen had een plan ‘Als je niet behoorde tot het kransje muzikale rebellen – en daar hoorde ik niet bij – dan richtte je je op de langere termijn’ stelt hijzelf. ‘Ik was nieuwsgierig wat ik zou kunnen bereiken in een leven lang muziek maken.’

Hij is ook meedogenloos met zijn omgeving. Toen de neef van Clarence Clemons solliciteerde om de plaats van ‘The Big Man’ over te nemen en hij zijn partituren niet goed had ingeoefend, ging hij over de rooie: ‘Laten we dit even afspreken. Jij komt hier auditie doen voor de stoel van Clarence … wat trouwens geen baan is maar een ‘fucking’ heilige positie … en je gaat Clarence’s beroemdste solo’s spelen naast Bruce Springsteen (ik refereer naar mezelf in de derde persoon) … en dan ga jij die solo’s ‘ongeveer’ kennen?!! … Je komt hier in het BOLWERK VAN DE ROCK ’N ROLL … Je maakt jezelf belachelijk en verpest mijn kostbare tijd.’ 

‘Democratie in een rockband is een tikkende tijdbom’, stelt hij zelf. Het vraagt weinig inbeelding waarom Springsteen ‘The Boss’ heet.

Ook bij hem vind je de ‘Why’ terug, de waarom hij dit allemaal doet. ‘Ja de meisjes, ja het succes. Maar antwoorden, of beter gezegd die sporen, die hielden me ‘s nachts wakker en tolden door mijn hoofd om te verdwijnen in mijn zessnarige instrument (dat aan het voeteneinde van mijn bed stond) terwijl de rest van de wereld sliep. Ik ben blij dat ik goed werd betaald … maar ik had het ook gratis gedaan … het stuk hout met zes stalen snaren … was het zwaard van mijn uitingswijze.’

En dan is er nog de donkere kant van Springsteen; de meeste besprekingen over deze spraakmakende biografie gaan hierover. Hij legt in geuren en kleuren uit wat er gebeurt wanneer hij in een depressie valt en hoeveel keren het hem is overkomen tijdens zijn carrière. Hoewel dit sensationeel was in 2016 toen de biografie uitkwam – een rockster die open en bloot vertelt dat hij last heeft van diepe dalen, wat voer was en is voor psychologen om verder te graven in zijn diepe verleden en de opvoeding die hij heeft gehad (zijn vader had ook een manische kant) – is dit niet de essentie om de muziek van Springsteen te begrijpen

Het legt een stuk uit waarom hij zo een ernstige persoonlijkheid heeft wat zich een stuk weerspiegelt in de soms wat drammerige teksten maar er is omzeggens geen verband te noteren dat die depressies hem inspireren tot het maken van zijn muziek. Hij was bijvoorbeeld depressief na ‘Born To Run’ en niet daarvoor. Het is eerder een gegeven in zijn leven dat hij soms een paar maanden ‘out’ is, uit circulatie waarna hij terug verschijnt en zich smijt in een nieuwe uitdaging. De muziek is wel een uitlaatklep die hem weghoudt van die donkere kant van zijn ziel. Discipline, hard werken en je laten begeleiden door de beste muzikanten in de wereld zijn de echte pijlers van zijn succes waardoor hij zijn plaats verdient in het pantheon van ‘s werelds beste rock n’ roll artiesten.

Lees ook muziekbiografieën deel 2: Elton John, Ik.