Alicja Gescinska interviewt feministe Rosi Braidotti

‘Een pathologische optimist.’ Met die woorden omschrijft filosofe en feministe Rosi Braidotti zichzelf. Een van haar filosofische interesses is de toekomstvan de mens als soort. En die mens kan zichzelf niet langer als het epicentrum van het universum zien.We moeten niet te nostalgisch zijn. De toekomst is niet per se beangstigend.’

Ik ontmoet Braidotti in de Universiteit Utrecht, waar ze de titel van ‘Distinguished University Professor’ draagt. Haar hele volwassen leven speelt zich af in de hoogste regionen van de intellectuele, academische wereld. Ze studeerde aan de Sorbonne. Ze was verbonden aan prestigieuze instellingen als Birkbeck, University of London (VK) en Princeton University (VS). En ze wordt gezien als een van de belangrijkste feministische filosofen van de voorbije halve eeuw.

Toch leek ze allerminst voorbestemd voor een leven in de aristocratie van de geest. ‘Mijn achtergrond is heel bescheiden. Mijn verhaal is een traditioneel Europees migratieverhaal. Ik werd in het noord-oosten van Italië geboren, dicht bij de Sloveense grens. Het leven was er moeilijk, armoedig. Toen besloten mijn ouders dat we zouden emigreren naar Australië. Om economische redenen dus.’

Je was vijftien jaar oud.

‘Inderdaad. Je kunt je inbeelden wat een moeilijke leeftijd dat is. Het was dan ook niet de fijnste periode voor me. Maar ik heb het beste gemaakt van onze jaren in Australië. Ik ben dankbaar voor de kansen die ik er kreeg. Ik kon goed leren, heel goed zelfs. Ik werd Australisch staatsburger. Maar ik had een diepe nood in mij om terug te keren naar het Europese vasteland. En dus belandde ik in Parijs.’ Vanwaar kwam die behoefte? ‘Dat was grotendeels ingegeven door een filosofische drang. Het had veel met Michel Foucault te maken. Ik had over hem in Australië aan de universiteit geleerd. Een oom van me – een katholieke priester die in Zwitserland werkte – stuurde me voortdurend per post artikels van Foucault. Daardoor ontstond in mij het verlangen: ik wil naar Parijs om bij die man te studeren.’

En zo geschiedde.

‘Ik trok eind jaren zeventig naar de Sorbonne met een studiebeurs. De omgeving en de periode waren bijzonder stimulerend. Ik had echt het gevoel: hier moet ik zijn als ik mijn tijd en wereld wil begrijpen. Parijs leek het middelpunt van cruciale historische en culturele ontwikkelingen. Er was de aanwezigheid van Foucault, Deleuze, De Beauvoir en Irigaray uiteraard. Daarnaast was het de place to be om mee te zijn met literaire ontwikkelingen. Het was een clash van wereldbeelden, invloeden, gedachten, ideologieën. Voor mij was het echt een breath of fresh air. Het linkse intellectuele leven was echt heel bruisend. Het was de tijd vóór Mitterrand. Want toen Mitterrand verscheen, waanden te veel linkse denkers zich megasterren, en werd links een soort van champagnesocialisme.

Een veelzeggende term: champagnesocialisme.

‘Ja, maar laat het duidelijk zijn: dit klinkt misschien rechts, maar ik ben links. Maar links moet zichzelf écht herdefiniëren. Het is een droom die te veel naar het verleden gericht is. De blik moet op de toekomst staan. Kijk naar de recente verkiezingen in Engeland.

Corbyn heeft gefaald.

‘Je moet het Boris Johnson nageven: hij heeft het heel sterk gespeeld. Enerzijds heeft hij uiterst rechts weggemanoeuvreerd en Farage weggedrumd. Anderzijds heeft hij Labour en Corbyn verpletterd. Heel meedogenloos.’Een conversatie met Rosi Braidotti voelt aan alsof je meegesleurd wordt in een draaikolk van gedachten. Een halve vraag – een half woord zelfs – volstaat om een kolkende woordenstroom aan haar te ontlokken. Daarin duiken de namen van filosofen haast frequenter op dan lidwoorden. In haar beschouwingen, ook over alledaagse zaken, passeert voortdurend een fantastische plejade aan filosofen: Hegel, Marx, Spinoza, Descartes, Foucault … Maar net zoals ze uit de grote geesten van vroeger inspiratie haalt, haalt ze inspiratie uit hedendaagse populaire figuren.

Wanneer ik haar vraag wat voor haar de definitie van feminisme is, begint ze niet met het resumeren van wat grotendeels haar levenswerk is: de feministische filosofie. Ze antwoordt met één naam: die van Beyoncé. ‘Beyoncé is de definitie van feminisme. Ze geeft een definitie van feminisme die perfect aansluit bij de kern van het feminisme: waardigheid, respect, gelijkheid. Loongelijkheid ook. We verdienen in het Westen nog
altijd 13 procent minder dan mannen.’

‘Europa heeft een enorme prijs moeten betalen voor de onderdrukking
van de intellectuele vrijheid in de twintigste eeuw’

Lijkt het niet alsof vrouwenrechten vandaag meer onderdruk staan dan enkele jaren geleden?

‘De misogynie wordt nu misschien soms wat meer geëtaleerd door sommigen. Er zijn verschillende groepen die radicaliseren, extremer worden. Er is veel geweld tegen vrouwen, tegen lgbt. Er hangt veel woede in de lucht. We leven in gewelddadige tijden. Maar of het slechter dan vroeger is, weet ik niet. Hoe moet je dat meten? De grofheid lijkt soms gewoon explicieter, openlijker. De woede van blanke mannen domineert ons tijdperk. Trump is er de exponent van. Vroeger was het meer impliciet. Als vrouwen uitgesloten werden, hoefde je ze ook niet te beledigen. Ze waren ‘waar ze hoorden’.

Beyonce is de definitie van feminisme

Misschien is het paradoxaal genoeg dus een goed teken, openbare misogynie; het toont dat we op de goede weg zijn?

‘In zekere zin wel. Wat belangrijk is en hoopvol stemt: het kapitalisme zelf wil deze gelijkheid. Het is goed voor het systeem wanneer vrouwen evenwaardig en financieel even sterk staan als mannen. Ook buiten Europa zie ik heel veel positieve tendensen. In Afrika, in India, waar steeds meer verzet is tegen misbruik. Verkrachting is een systeemvan macht waardoor de man de vrouw in angst houdt. Het trivialiseren van verkrachting roept steeds luider protest op.’

Dus wereldwijd zie je positieve evoluties in de ontwikkeling van vrouwenrechten en gendergelijkheid?

‘Ja, maar het zijn wel verschillende evoluties. In zuidelijke landen als Turkije en Italië heb je bijvoorbeeld meer vrouwelijke professoren dan bij ons. Toen ik hier in Utrecht begon, was 2 procent van het professorenkorps vrouw. Nu is het beter. Maar zo rond de 23 procent schommelen, is nog altijd weinig. In zuiderse landen is het iets beter. Maar: daar heb je dan minder seksuele gelijkheid. In het Westen, zeker in Nederland, is seksualiteit altijd als de belangrijkste indicator van feministische emancipatie gezien. Dus bij ons zit je met een paradoxale situatie: seksueel enorm bevrijd, maar nog met te weinig macht. Er is nog altijd een mannelijke concentratie van macht in politiek, bestuur, leidinggevende functies in de media en de culturele sector. We moeten de criteria waaraan we de emancipatie en gelijkheid tussen man en vrouw afmeten dus diversifiëren. Alleen kijken naarhoe seksueel bevrijd een vrouw kan zijn is een gedateerd model van gelijkheid en emancipatie.’Voor Braidotti is gendergelijkheid meer dan een theoretisch concept. Het is geen ideaal dat ze met woorden probeert te begrijpen, wel een ideaal dat ze in daden tracht te realiseren. Zo heeft ze met haar echtgenote Anneke Smelik een fonds gesticht om vrouwen te helpen in hun academische carrière. ROSANNA heet het fonds – een versmelting van hun beide voornamen. En het is een van de dingen waar Braidotti misschien wel het meest trots op is. ‘We zijn allebei professoren en we hebben geen kinderen. Laten we eerlijk zijn: we strijken elke maand een heel goed salaris op. Wat moeten we daarmee doen? Het weggeven is een kwestie van intergenerationele rechtvaardigheid. Dat doen we met het ROSANNA Fonds voor Vrouwen. Het is duidelijk in kaart gebracht: het punt waar vrouwen wegsijpelen uit de academische wereld ligt tussen het behalen van een doctoraat en postdoctoraal werk. Waarom daar? Omdat een vrouw haar kinderwens niet kan uitstellen zoals een man. Wij financieren de missing link. Voor een vrouw is het niet evident om een academische carrière te combineren met een kinderwens. Je bent een tijd afwezig en als je terugkeert, heb je een gat in je publicatielijst en zijn de jobs ingenomen.’

Jullie helpen niet alleen vrouwen om een academische carrière te combineren met een gezinsleven. Ook kansarmen genieten uitdrukkelijk de steun van jullie fonds.

‘We bieden de kans aan armen, vluchtelingen en migranten om een academische carrière uit te bouwen. In sommige gevallen zijn wij zelfs een van de eerste aanknopingspunten voor nieuwkomers. We spelen dus een rol in het integratieproces. Dat vind ik heel belangrijk. Anneke en ik zijn op 8 maart 1999 getrouwd: Internationale Vrouwendag. De jaarlijkse toekenning van de beurzen van het ROSANNA Fonds gebeurt ook op 8 maart. Dan heb ik het gevoel dat ik echt een concreet verschil maak in het leven van mensen.’

Van Marx komt de bekende uitspraak dat filosofen de wereld niet louter moeten proberen te begrijpen, ze moeten de wereld ook helpen te veranderen. Dat lijkt ook jouw motivatie.

‘Het is een goede manier om met mijn oudere dag om te gaan en iets zinvols na te laten. Via het ROSANNA Fonds hebben we een manier om solidair te
zijn, om meer rechtvaardigheid in de wereld te brengen. Ik heb sterk het gevoel dat de babyboomers iets moeten teruggeven.Ik ga niet zeggen dat mensen van mijn generatie het allemaal geweldig en gemakkelijk hadden. Kijk naar mijn achtergrond: ik weet dat het niet zo is. Maar we moeten ook toegeven: we waren een grote generatie en dus zijn er veel mensen die heel goed verdiend en geleefd hebben. Dan denk ik: geef iets aan hen die na je komen. Help hen, de millennials.’

Wilde je zelf geen kinderen?

‘Mijn partner misschien wel. Voor ik Anneke ontmoette, had ik geen vaste relaties. Maar ja, things happen. Dat is het verbazende aan het leven, mijn leven. Het was me onmiddellijk duidelijk: dit is het. In vroegere tijden zouden we waarschijnlijk met een man trouwen om elkaar te vergeten. Maar dat hebben we niet gedaan.’

Deze liefde heeft je verrast?

‘We waren een generatie die experimenteerde, dus ja en nee. Maar ja, de liefde heeft me overvallen. Wat me vooral trof, was dat ik niet gedacht had dat ik zo lang een relatie met iemand kon opbouwen. Mijn leven is heel complex: ik heb mijn migratieachtergrond, ik ben een nomadisch persoon. Hoe moet ik daar een stabiele relatie in passen? Dat is niet evident. Dat het toch gelukt is, is misschien wel verrassend. We dachten wel: ruimte voor kinderen is er misschien niet in onze complexe levens. Maar de alumnae van het ROSANNA Fonds voelen een beetje aan als ons kroost. Het is een wederkerige relatie.’

Je hebt talloze boeken geschreven, je bent een experte in je vakgebied. Maar dit project, dat is waar je het meest trots op bent?

‘Wat ik als mijn grootste verwezenlijking zie, is dat ik de negativiteit kon afwenden die gepaard gaat met een bestaan als ontheemd persoon. Dat ik een balans gevonden heb en de evenwichtsoefening van multiple belongings tot een goed einde gebracht heb. Ik ben een van de professoren die het langst in Utrecht is. Ik ken elke stoel in elke aula. Ik ben zelf deel van het meubilair geworden. Had ik Anneke niet gehad, dan had ik hier niet zo kunnen behoren. Functioneren in verschillende talen is ook heel vermoeiend. Tussen verschillende culturen, in verschillende landen leven, mat af. Dat is echt hard werk. Dat gebeurt niet vanzelf. Je moet hard werken om jezelf te kunnen zijn.’

Naarmate de avond vordert, verschijnt Braidotti steeds duidelijker voor me als een vrouw van harmoniserende tegenstellingen.Ze identificeert zich als links –heel links zelf – maar schuwt de scherpe kritiek op links niet. Ze erkent ten volle de gevaren en uitdagingen van onze tijd. En tegelijk is ze bijzonder optimistisch en hoopvol over de nieuwe mogelijkheden die de toekomst en technologische innovatie kunnen brengen. Haar identiteit is meerlagig, haar geest is door en door pluralistisch, maar noties als nationalisme en het behoren bij een groep vindt ze niet per definitie negatief.

‘Nationalisme is een beetje zoals de mensheid. Met de nodige modificaties en aanpassingen kan er iets goeds van komen.’ Ze leidt me rond door het centrum van Utrecht. Daarbij komt de Utrechtenaar in haar volledig tot leven. Ze voelt zich geen Nederlander, wel Utrechtenaar. Ze houdt heel duidelijk van haar stad.

‘Veel is hier beschermd en daardoor zo mooi gebleven. We hebben hier een tiental kerken, waar ik mijn passie als klokkenluider kan botvieren (zie verder, red.). Hier heerst een fijne sfeer, je kunt hier reflecteren in rust. Maar de stad wordt ontdekt en lokt steeds meer toeristen. Daar ben ik niet blij om. Dat dwaze Airbnb. Dat is een universeel probleem.’

Hoe verliep de integratie in Nederland?

Het is niet makkelijk om je in de Nederlandse samenleving te integreren. Mijn schoonouders zijn mijn toegangsweg geweest, via hen begrijp ik dingen die ik anders niet zou kennen. Het is een klein land met een kleine bevolking. Vlaanderen moet nog moeilijker zijn. Ze beschermen zich, als kleine groep. Nederland is een kleine natie die tegelijk een hoofdspeler in de wereldgeschiedenis geweest is. Dus ze spelen voortdurend een spel van open- en geslotenheid, van schuilen en manifesteren. Een spel van kat en muis. Voor een buitenstaander is het niet evident. In Australië kun je een Italiaanse Australiër zijn, geen probleem. Mijn vader heeft zelfs nooit Engels geleerd. Hooguit het hoogst elementaire kende hij. Hij werkte voor Italianen in Australië. Hij ging op café bij Italianen. Dat is in Nederland toch veel moeilijker denkbaar en minder doenbaar.’ ‘We leven in heel nationalistische tijden, maar het is niet echt een gezond nationalisme. We beleven eerder het enge, autoritaire nationalisme. Jammer. Er is ook een ander nationalisme mogelijk: een nationalisme dat positief is, open. Maar dat zien we vandaag te weinig. Uiteraard is mijn migratieachtergrond een antidotum geweest tegen stupide nationalisme. Ik ben trouwens al sinds mijn dertiende een overtuigd Europees federalist.’

Vanwaar kwam de liefde voor de idee van een federaal Europa?

‘Die liefde ontstond uit afkeer: afkeer van fascisme. Je hebt Europa nodig om ons daartegen te beschermen. Europa is het antidotum. Europa is gesticht door echte, antifascistische figuren zoals Spinelli en Monnet. We vergeten dat al te vaak. Veel mensen denken dat het Europese project een neoliberale droom is. Dan denk ik: nee, het is de prijs die je betaalt voor fascisme, you idiot! Heb je iets gelezen over onze geschiedenis? Wat scheelt er met je, jij onwetend mens!’

Het Europese project lijkt minder populair nu dan vroeger. Hoe komt dat?

‘Door links- en rechts-populisme. En we hebben ook iedereen tegen ons: Poetin, Trump, de brexiteers. Zij hopen dat Europa versplintert. Maar denk daar eens over na: dat is het beste bewijs dat we iets goeds zijn en doen. Mochten we niets voorstellen, ze zouden ons met rust laten.’

Aan onze vijanden herken je ons belang?

‘Maar ik denk niet dat we nog eens vier jaar Trump overleven. Het is goed denkbaar dat hij een oorlog in het Midden-Oosten zal ontketenen, met nog eens miljoenen extra vluchtelingen die richting Europa trekken. Maar ik hoop dat Europa blijft leven. Mocht ik niet zo’n gemengde identiteit hebben, dan zou ik zeker in de politiek gaan om daartoe bij te dragen.’

Zou je echt de stap in de politiek zetten?

‘Ja, dat is een van mijn bronnen van spijt. Ik denk dat ik een goed Europarlementslid zou zijn.’

Waarom?

‘Het is een ideale manier om als intellectueel actief te zijn in de wereld, ook de politieke wereld. Het is ook de prijs van mijn migrantschap: politiek is altijd lokaal. Maar ik ben een displaced person. Eigenlijk is dat een echte Europeaan: een ontworteld persoon. Die is altijd een beetje in-between. Ik betreur dat ik niet in de politiek gegaan ben. Ik zou heel hard werken voor een nieuw links verhaal. Vele jaren geleden heb ik ooit eens op een kieslijst gestaan, als steun, nietom verkozen te raken. Dat was in de jaren negentig, voor Groen-Links, voor de Europese Parlementsverkiezingen. Ik behaald zowat duizend stemmen. Ik zou goede dingen kunnen doen op het Europese niveau, met mijn achtergrond en multiple belongings. Maar je moet natuurlijk verkozen raken.’

Veel mensen vinden dat een intellectueel zich ver van politiek moet houden. Filosoof, blijf bij je boeken.

‘Ach, de stap naar de politiek zetten, dat is toch the obvious thing to do voor een intellectueel met engagement? En er is een lange traditie van. Maar dat is de voorbije decennia aan het veranderen. Politiek begint steeds meer een beroepscategorie op zich te worden, of iets dat je niet uit engagement maar uit opportunisme doet.’ Aan tafel in een bijzonder fraai universiteitsrestaurant zetten we ons gesprek verder over de moeilijkheden om als vrouw een carrière als filosoof uit te bouwen. Wie naar het cv van Braidotti kijkt, kan denken dat het haar allemaal voor de wind gegaan is.

Ze heeft drie onderzoekscentra gesticht. Ze is een pionier in haar vakgebied: vrouwenstudies als academische discipline. Ze is voor haar verdiensten meermaals onderscheiden en werd in 2005 geridderd door koningin Beatrix. Toch is haar weg in de filosofie geen recht pad in stijgende lijn maar ook een moeilijke weg geweest. Een weg die haar ook steeds zwaarder lijkt te vallen. Universiteiten zijn niet meer wat ze geweest zijn. De druk om zo veel mogelijk artikels te publiceren, is niet altijd gunstig voor het filosofische denkwerk.

‘Het is heel moeilijk geworden. Ik kom gelukkig nog uit een generatie die niet gebukt ging onder de huidige publicatiedruk. Ook zonder mee te gaan in de eindeloze keten van artikels en zonder aan strategische loopbaanplanning te doen, heb ik een succesvolle carrière kunnen uitbouwen. Ik vraag me af of dat voor jongere academici nog mogelijk is, maar ik geloof wel in work hard, play even harder.’ Braidotti praat over academische verdiensten en de moeilijkheid om mee te draaien in een wereld die alsmaar meer focust op het binnenhalen van geld, subsidies, beurzen. ‘Ik krijg meermaals het gevoel dat ik een anomalie ben.’

Misschien is dat een sterkte: altijd een beetje een buitenbeentje zijn, een klein beetje ontheemd.

‘Ik heb er mijn sterkte van gemaakt. Ik vind het gewoon jammer dat de universiteit gemuteerd is op een manier die me geen voldoening geeft en misschien zelfs gevaarlijk is.’

Wat vind je dan zo’n gevaarlijke evolutie in het intellectuele, academische landschap?

‘De ontlezing is een groot probleem. Wanneer de consensus dat een persoon in de menswetenschappen een lezer moet zijn, opgeheven is, weet ik niet precies. Maar het is wel gebeurd. Sporadisch lezen, zonder structuur: dat is nu de norm. Jongeren lezen niet langer de klassiekers. Als je de klassiekers niet meer leest, wat blijft er van de menswetenschappen dan nog over? Mijn studenten kennen nauwelijks de canon van de westerse literatuur nog.’

Terugkomend op de moeilijkheden van het academischeleven: is het moeilijker om als vrouw een intellectuele autoriteit te worden?

‘En te blijven. Dat is vooral moeilijk. Ik ervaar dat sterk. Het is een fenomeen dat nog niet genoeg onderzocht is. Een man wint autoriteit met ouderdom, een oudere vrouw verliest autoriteit. Ik zie dat bij mijn collega’s. Als ik een man geweest was, had ik nu nog een andere status gehad aan de universiteit. Maar ik wil niet klagen. Toch worden vrouwen makkelijker opzijgeschoven. Het verlies aan autoriteit bewijst dat patriarchal structuren nog werken.’

Je ziet het op tv, in politiek. De experts zijn mannen. De grote schrijvers. De scheppers.

‘Allemaal grijze mannen en in het beste geval een vrouw met geverfd haar. Het is wreedaardig: het wegfilteren van oudere vrouwen. Het is gecompliceerd. Ik word zelf geëerd en krijg erkenning. Ik word als een meerwaarde gezien. Maar ik voel ook dat er aan mijn autoriteit geknaagd wordt met het ouder worden. Er is echt een loss of authority. Het gevolg is ook: vrouwen van mijn leeftijd moeten nog keihard werken om te kunnen blijven meedraaien. Terwijl mannen van mijn leeftijd al op hun lauweren kunnen rusten. Je bent maar zo goed als je laatste boek, als vrouw. Alsof je nooit krediet opgebouwd hebt. Maar daar staat ook tegenover dat er wel erkenning is van een kleine groep die je waardeert. Ik wil iets schrijven over deze levensfase, een cartograaf zijn van het leven als intellectuele vrouw die de zestig gepasseerd is.

Beangstigt de ouderdom je?

‘Niet echt. Ja en nee. Het lichaam laat het afweten, uiteraard. Maar het verstand blijft werken, dat is het belangrijkste.De discrepantie is wel treffend. En de Franse filosoof en een van mijn leermeesters, Gilles Deleuze, observeerde dat ook goed. Er is een contrast tussen het aftakelende lichaam en de opleving van de geest.’

Hoe zie je je oude dag? Na volgend jaar wacht je emeritaat.

‘Het pensioen is het begin van een nieuw leven. We leven steeds langer. De geneeskunde kan steeds meer. En zowel Anneke als ik hebben heel goede genen. We willen ook bijen houden. 70 procent van de insecten zijn al verloren gegaan. Het is ongelofelijk. Droevig. Dat is misschien wel wat me het meest droevig stemt. De natuur wordt te stil. En Einstein zei het al: als de bijen uitsterven, wij ook.’

Vrees je daarvoor?

‘Ik ben posthumanist: ik geloof wel dat met de nodige aanpassingen en ontwikkelingen een bepaalde menselijke toekomst mogelijk is. Delen van de mensheid zullen misschien wel uitsterven. Maar niet meteen de gehele mensheid.’

Je ziet in robotisering, kunstmatige intelligentie, technologische revoluties vooral veel kansen, eerder dan veel gevaren?

‘Wel, ik ben er niet bang van. En ik kan me veel toepassingen inbeelden die echt waardevol zullen zijn. In de zorg voor ouderen bijvoorbeeld. De ontwikkeling van kunstmatige intelligentie gaat echt heel snel.’

Ook in de geestelijke gezondheidszorg verwachten velen grootse dingen van AI. De ‘Woebot’ wordt de therapeut van de toekomst: je gaat bij een chatbot – een soort Siri of Alexa– te rade met je zorgen. Is da niet triest?

‘Heb je al eens gezien hoe de menselijke communicatie is op restaurant? Dan is er misschien meer interactie met een chatbot mogelijk. En de eenzaamheid van ouderen is echt heel groot. Dus misschien biedt de technologie daar wel een oplossing. Iemand die kan converseren en je hand vasthouden – dat is heel waardevol. Ik ben niet zo antropocentrisch dat dat noodzakelijk een mens moet zijn.’

Je schrijft in je laatste boek, Posthuman Knowledge, dat sommigen van je beste vrienden robots zijn.

‘Dat is vooral als grap bedoeld. Maar ik denk dat we een relatie kunnen ontwikkelen met artificiële intelligentie die heel vervullend is. We moeten niet te nostalgisch zijn. Als je een AI-partner wilt, goed. Zolang je echte mensen maar niet veracht. Ik ben open. Kijk, ik leef volgens woorden die mijn credo kunnen zijn. Dus ook in deze kwestie: Nature is unfair. Change nature.’

Rosi Braidotti

De belangrijkste feiten

  • 1954: Geboren in Latisana (IT)
  • 1977: voltooit studies in de filosofie aan de Australian National University
  • 1981: voltooit studies in de filosofie aan de Sorbonne
  • 1988: wordt docent aan de Universiteit Utrecht
  • 1994: Werkt voor de school of Social Science in het Institute for Advanced Study van Princeton University
  • 1995 Wordt directeur van de pas opgerichte Onderzoeksschool voor Vrouwenstudies
  • 1999: Trouwt met collega-professor Anneke Smelin
  • 2005: wordt ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw
  • 2009: Wordt Honorary Fellow van de Australian Academy for the Humanities
  • 2011: Nomadic Subjects verschijnt, een belangrijke bijdrage aan de feministische academische literatuur
  • 2013: The Posthuman verschijnt; steeds meer richt Braidotti zich in haar onderzoek op de toekomst van de mensensoort